Het verdriet van dialogen


essay door

Onlangs las ik Val, de erg zwarte en vrij positief onthaalde tweede roman van Roderik Six. Six pleegde een soort gothic novel-achtige vertelling over een dokter die om duistere redenen arriveert in een hol van Pluto, waar hij lang niet de enige is die dingen doet om duistere redenen.

Halverwege het boek wordt alles op een afgrijselijk vleselijke manier nog veel duisterder. Val lees je niet voor het verhaal, maar voor de taal, die bijwijlen onder de huid kruipt. Het boek staat bijvoorbeeld bol van de metaforen, maar dan wel steeds precies goede. De beeldspraak van Six deed mijn kromme metaforen-alarm niet een keer loeien – geen geringe prestatie.

Wie o wie praat zo, op een avond die met whiskey is overgoten?

Net daarom vond ik het zo eigenaardig dat iemand met een vaardige pen als Six, zo zwaar de mist ingaat bij de dialogen. Die hebben zelden met de geloofwaardige weergave van een gesprek van doen. Ze zijn een vehikel voor Six om zijn trouvailles de wereld in te sturen, zonder dat hij als alwetende schrijver moet gaan oreren. Zo vertelt ene Jonathan, niet toevallig een schrijver, aan hoofdpersonage Doc:

‘Meestal verdwijn ik in de herfst. Om te schrijven. Maar het vlot niet. Misschien mankeer ik toch een plot, hoewel ik daar niet in geloof. Lezers daarentegen zijn er dol op. Omdat het orde schept in de chaos van het leven. Romans spelen daarin vals. Ze doen alsof er een logisch verloop van handelingen is, een afgerond verhaal, maar dat is een belachelijke vereenvoudiging van het leven. Nee, zelfs dat niet: een bedrieglijke ontkenning van de werkelijkheid. Ons leven bestaat voornamelijk uit flarden, verbrokkelde ontmoetingen, afgebroken dialogen, uit aannames – we denken iemand te kennen, maar wat speelt zich werkelijk achter een gelaat af?’

Enzovoorts enzoverder. Leest prima als een bespiegeling over de aard van de roman, maar wie o wie praat zo, op een avond die met whiskey is overgoten? Jonathan en Doc bomen nog een eindje door. Six laat zijn personages allerhande ideeën spuien, over de vertelkunst, over hoe ons aller leven geregeerd wordt door geheimen; het zijn allemaal uitweidingen die meer blootgeven over de schrijver dan over zijn personages.

Recensenten pakken schrijvers zelden aan op hun krukkige dialogen

Het zette me aan het denken. In een serie of een film lijken dialogen snel ongeloofwaardig,  de schroom van de acteurs om deze of gene te doorwrochte of net extreem onnozele zin uit te spreken komt soms haast door het scherm gesijpeld. Zij komen er niet mee weg. Schrijvers wel. Recensenten pakken hen zelden aan op hun krukkige dialogen. Maar, wat is goede dialoog? De Engelse schrijfster Elizabeth Bowen dacht dat te weten. Zij schreef in 1945 in haar Notes on Writing a Novel, wat een dialoog moest zijn. Bowen hield blijkbaar van lijstjes, want ze vatte dat in zeven punten samen.

1. Dialoog moet kort zijn 2. nieuwe informatie aandragen, 3. zonder de banale dagelijkse omgangsvormen letterlijk over te nemen, 4. spontaan klinken, zonder repetitief te zijn, 5. het verhaal dienen, 6. iets leren over het karakter van de spreker, 7. iets tonen over de relatie tussen de personages.

Bowen zou Six, die bij monde van zijn personages doorwrochte diepzinnigheden verkondigt die weinig inzicht geven in de psyche van die personages en wiens dialogen de voortgang van de plot eerder afremmen dan stuwen, vast hoofdschuddend gelezen hebben.

Wanneer las ik voor het laatst een werkelijk goede, in het Nederlands geschreven dialoog? Ik kon het me niet meteen voor de geest halen. Ik sloeg een van de boeken open die de weg naar mijn bureau onlangs hadden gevonden. In Wat alleen wij horen, de jongste roman van Saskia de Coster, over het wel en wee van een appartementsgebouw en zijn bewoners, waren de dialogen me tijdens het lezen niet meteen opgevallen. Dat leek me een goed teken. En inderdaad – bij het herlezen bleken de gesprekken geen literaire hoogstandjes, maar beantwoordden ze wel aan Bowens criteria.

‘Hoe heet de nieuwe bovenbuurvrouw ook alweer,’ vraagt hij (…)

‘Ze heette gisteren Lou en heet vandaag nog steeds Lou’ antwoordt Abi.

‘lou lou de mooie koe’ komt Claus tussenbeide.

‘Ze neemt een man mee naar haar appartement’ zegt hij.

‘Die vrouw heeft groot gelijk, dat ze maar van het leven geniet,’ zegt Abi.

Tekst uit het leven gegrepen, zonder franje,  die de personages typeert en het verhaal tegelijk ook dient – de lezer leert in de dialoog iets over de opgemerkte komst van een nieuwe buur.  De dialogen staan nergens in de weg, zijn geen alibi om het over iets anders te hebben. Ze klinken alsof ze werkelijk uitgesproken zouden kunnen zijn, door echte bewoners van een willekeurig appartement. Goede punten dus, voor De Coster. Maar daar wringt het net: haar dialogen zijn geloofwaardig, maar doen na een paar pagina’s droog aan, weinig bevlogen. De manier waarop mensen in het echte leven praten, is meestal niet de moeite waard om na te vertellen, laat staan neer te schrijven. Niemand praat in volzinnen, mensen zijn zelden creatief met hun woordenschat. Luister maar eens een gesprek af op de trein. Misschien zijn de dialogen van De Coster, in hun volgens de regels van Bowen netjes gepoetste mensentaal, wel te zeer uit het leven gegrepen om echt begeesterend te zijn.

Je kan niet zeggen dat Claus Bowens regeltjes netjes volgt

Als ik aan wervelende, levende dialogen denk die toch literatuur zijn, denk ik meteen aan Het verdriet van België. Ter illustratie, een willekeurige dialoog, tussen de nog jonge Louis Seynhaeve en zijn vader die in Brussel naar een optocht zijn gaan kijken en honger krijgen.

‘Ik sterf van de honger,’ zei Louis.

‘De mens eet veel te veel. Nog nooit zijn de Belgen zo gezond van lijf en leden geweest als nu, nu zij de riem moeten toetrekken. Er zijn volkeren die alleen maar klei eten en dat nog smakelijk vinden ook. Alhoewel… wij zouden naar de Beestenmarkt kunnen gaan, waar ze paardenbloedworst verkopen zonder zegels. Maar waar is de Beestenmarkt?’

‘Wij kunnen het vragen.’

‘Aan die Brusselse kiekefretters zeker!’

Je kan niet zeggen dat Claus Bowens regeltjes netjes volgt. Deze passage typeert de personages wel goed, maar had er evenwel niet kunnen staan. Maar dat stoort niet, Claus smeedde het – toegegeven, al vrij sappige om mee te beginnen- West-Vlaams van zijn personages om tot onmiskenbare literatuur. Toch voel je de taal van echte mensen zo door de bladzijden waaien, mensen die van de hak op de tak springen, roepen en fluisteren. Het schrijven van een goede dialoog is een waarschijnlijk aartsmoeilijke evenwichtsoefening – hoe maak je het alledaagse lingo tot literatuur, zonder dat je taal te bleek of je personage te ongeloofwaardig wordt? Maar van die inspanning van de schrijver lees je in Het verdriet van België niets terug. Dialogen schrijven is wat dat betreft misschien een beetje als muziek schrijven, als componeren met gewone-mensentaal.