Inflatie aan wonderkinderen


essay door

De pers zoekt met de moed der wanhoop naar ‘wonderkinderen’ in de literatuur. Het bekt commercieel lekker, maar onderhuids speelt meer.

Wee de literaire jeugd in Vlaanderen en Nederland. Een jong veulen mag nog geen drie zinnen achter elkaar foutloos schrijven, of een recensent brandmerkt het jongen of het meisje met het epische epitaaf.

Recent opnieuw. Naar aanleiding van zijn nieuwste wordt Yannick Dangre in De Morgen een beetje pathetisch ‘een wonderkind in het verborgene’ genoemd. Ook Lize Spit kreeg de eer. En Frederik Willem Daem, een jonge Brusselaar die, ondanks de ruime aandacht, een bundel kortverhalen schreef zonder veel ziel.

Maar waarom toch? Vanwaar die bizarre neiging om aanstormend geweld mordicus in dat hoekje van de genialiteit te plaatsen?

Het eerste, evidente antwoord luidt natuurlijk: commerciële redenen. Een uitgeverij gaat zijn schrijver nooit zo expliciet in de markt zetten maar evenmin tegenpruttelen als een journalist het wel doet – het boek krijgt daardoor een dwingend karakter, erkend door kritische buitenstaanders. Het kopen waard dus. En de journalist doet het omdat het een aardig verhaal oplevert en iconische covers met blote bovenlijven en meisjes met botten in de Kempische klei. Oogt goed, oogt fris.

Welk werk van Dangre moet zijn blijk van bovenmenselijk talent bevestigen?

Maar die aangebrachte hiërarchie doet soms verbazen, omdat de gehanteerde criteria van recensenten vaak duister en persoonlijk blijven –neem een Dangre, verdienstelijke schrijver, goede poëet, maar een absoluut wonderkind, dat blijk geeft van bovenmenselijk talent? Welk werk moet dat onbetwijfelbaar bevestigen? Toch niet De idioot en de tederheid? Of Spit. Schreef een steengoede roman, een debuut waarvoor sommigen een lichaamsdeel zouden afstaan, maar wat als haar tweede tegenvalt, slaapt het genie dan, of ging Het smelt om een toevalstreffer?

Maar naast het verkoopargument speelt nog een ander, interessanter element, denk ik. Namelijk de nood aan onderworpenheid. En dan zeker bij de Vlamingen, die, nooit echt verlost van God, snakken naar een nieuwe literaire heiland om slaafs te kunnen volgen, of (minstens even leuk) te verketteren. Iemand die zowel proza schrijft, als poëzie smeedt, als theater prepareert, en dat allemaal vanuit een soort aangeboren genialiteit en speelse, bijna lichtzinnige vlotheid. De schrijver heeft het maar uit de mouwen te schudden en toornt boven het maaiveld uit, iemand die te haten of te koesteren valt. Een ziel die hevige emoties opwekt –een held die, buiten zijn wil om, ‘iets’ op het spel zet en doet discussiëren, bevangt, bezweert, laat etteren.

Met andere woorden: een Hugo Claus dus. Nog steeds een lichtbaken in Vlaanderen, nu nog het alfamannetje van de letteren naar wie iedereen gretig verwijst en citeert en refereert. De recensenten (zo voel ik het toch aan) snakken naar zijn wedergeboorte en opereren daarom als een hedendaagse variant van Johannes de Doper, diegene die als eerste het godenkind ontdekt en zalft en bemoedigt, niet vaak ter eigen eer en glorie.

Maar wat moet die nagelnieuwe Claus dan doen?

Maar wat moet die nagelnieuwe Claus dan doen? Wat wordt van hem verwacht? Want daar komt het op neer –wat vermag die?

Een wonderkind incarneert dezer dagen de stiekeme (deels stupide) hoop naar een nieuwe literaire bevoogding; het schetst het vooruitzicht van een vaderlijke geborgenheid en onder zijn vleugels een exodus uit het (post)postmoderne niemandsland, waar vrijheid blijheid geldt en niemand meer de bomen door het bos ziet. De totale chaos regeert. Iedereen doet maar: goed en slecht wordt niet meer van elkaar onderscheiden, of toch niet op een fundamentele, overtuigende manier. De veelheid verstikt; de Nederlandstalige middelmatigheid ontmoedigt.

Met andere woorden: een wonderkind, zo lijkt wel, moet, vanuit een natuurlijk en aangeboren gezag, orde scheppen in dat normloze, anarchistisch speelveld van de letteren. Het draagt de belofte van een linguïstische eindtijd en de hoop van een nieuw begin. Het straalt de kracht uit van een deugddoende cesuur, en van creatief leiderschap.

Een wonderkind lanceert de toekomst (of roept toch die associatie op).

Een wonderkind drukt de sterke wens uit naar een nieuwe wezenheid

Een wonderkind getuigt van genie –en genie is per definitie zonder genus; zet het menselijke open naar hogere oorden. Het genie overvalt het individu, waarin het zich nestelt. De oorsprong van het genie blijft daarom duister, arbitrair, toevallig, voer voor speculatie. Het krijgt daardoor een mythisch elan. De literatuur, vormgegeven door de goddelijk geïnspireerde auteur, wordt bijgevolg minder menselijk, minder kwetsbaar, minder lullig. Of anders gezegd: het lijkt gesmeed voor de eeuwigheid, net als die muziek van die andere geniale peuters: Mozart, Bach, Sjostakovitsj –om duistere redenen uitgekozen door het lot. En onze vermoeide samenleving snakt naar dat soort ankerpunten –een wonderkind drukt de sterke wens uit naar een nieuwe wezenheid.