Onvoorziene porno ‘smokt’ het best


essay door

I

Ieders favoriete brombeer, Tom Waits, definieerde een gentleman ooit als iemand die doedelzak kan spelen maar het niet doet. Ik kan u heden formeel bevestigen dat Pallieter, het hoofdpersonage van Felix Timmermans’ gelijknamige roman uit 1916, geen gentleman is.

Wie een beetje kan rekenen beseft na het lezen van de vorige paragraaf dat Pallieter dit jaar zijn eeuwfeest viert. Bij Uitgeverij Polis vonden ze dat reden genoeg voor een heruitgave met alle bijhorende toeters en bellen. Of toch met uitgebreid nawoord en tekstverantwoording door Kevin Absilis en Wendy Lemmens.

Nu moet ik eerlijk toegeven dat Pallieter en Timmermans bij mij – zoon en erfgenaam van de vroege jaren tachtig – op voorhand maar vaag een belletje deden rinkelen. Halverwege de jaren negentig heeft het toenmalige lief van mijn moeder er eens over verteld tijdens een weekendje Center Parcs maar misschien had hij het toen over Houtekiet van Gerard Walschap. Sowieso was de man een baldadige alcoholist en heb ik de meeste herinneringen aan hem verdrongen.

Vervolgens moet ik al even eerlijk toegeven dat het lezen van Pallieter mij ook niet bepaald wist te bekoren. Zelden heb ik zo lang gedaan over een roman van net iets meer dan tweehonderd bladzijden. De verklaring daarvoor is simpel: Pallieter is een natuurmens en een levensgenieter, in heel zijn handel, wandel en palaver bejubelt hij de schepping. Zelf ben ik als stadsmens vervreemd van het platteland en als intellectueel van mijn eigen lichaam. Al scheiden ons slechts honderd jaar en vijfendertig kilometer, gespiegeld aan Pallieter zou ik even goed een Marsmannetje kunnen zijn.

Komt uiteraard nog bij dat Timmermans zich bedient van een gedateerd Nederlands dat – ofschoon verre van onbegrijpelijk – al snel op mijn systeem ging werken. Desalniettemin ga ik er enige flarden uit memoriseren om er te pas en vooral te onpas mijn conversaties mee te kruiden.

Ik denk concreet aan:

  • – “Een oske deur man troske”

  • – “Het is, o Heer, alsof Gij in mijn buik een orgeltje hebt geplaatst!”

  • – “O God! ’t plizier is werral gedaan, gef er ons nog!”

  • – “Drinken is ook eten.”

Is het best om anno 2016 in een wijde boog om Pallieter in het algemeen en deze uitgave in het bijzonder heen te lopen? Ja en neen. Wat u met Pallieter doet, moet u zelf maar weten. Lezen op eigen risico. De recensent is niet aansprakelijk voor eventuele fysieke, emotionele of intellectuele schade.

De grote troef van deze uitgave is het nawoord van Kevin Absilis

De grote troef van deze uitgave echter is het nawoord door Kevin Absilis. Op intelligente en toegankelijke wijze schetst hij de levensloop van Pallieter van manuscript (Timmermans vluchtte in 1914 voor de oprukkende Duitser met het handschrift om zijn schouders gebonden) over succesverhaal (Dertien vertalingen, gigantische verkoopcijfers, de term “pallieter” opgenomen in Van Dale én Timmermans als serieuze Nobelprijskandidaat) tot verdomhoek (Kwade geesten beschuldigden Timmermans van kneuterigheid, folklore, collaboratie en andere baldadigheden). Uit die verdomhoek is Pallieter na de Tweede Wereldoorlog nooit meer geraakt. Hoe overtuigend Absilis’ pleidooi voor rehabilitatie ook moge zijn, het zou me verbazen mocht het er alsnog van komen.

II

Als alternatief voor die onmogelijke rehabilitatie zou ik een schaamteloze recuperatie willen voorstellen. In de Angelsaksische wereld kijkt niemand vreemd op wanneer een of andere klassieker – die enkel nog leeft in academische reservaten en bibliotheken – middels een brutale ingreep het heden in wordt gesleept. Doorgaans komt zo’n ingreep uit het wereldje van de b-film en aanverwante pulp. Seth Grahame-Smiths Pride and Prejudice and Zombies schopte de trend op gang in 2009. Andere titels in het genre zijn Sense and Sensibility and Seamonsters, Abraham Lincoln, Vampire Hunter en The Late Gatsby.

In een compleet andere uithoek van die Angelsaksische wereld, te weten de pornografische industrie in Californië en omstreken, gaat men al even wild te keer met bestaand materiaal. Na voorzichtig geëxperimenteer in de jaren zeventig beleeft de porn parody een periode van hoogconjunctuur in de eenentwintigste eeuw. Altijd al willen zien hoe Batman de oudste beweging ter wereld doet met Catwoman of hoe de krijgster-prinses Xena een beetje degelijk van bil gaat met de oorlogsgod Mars? U weet waarheen.

Ik stel voor dat Pallieter een tweede kans krijgt als pornografische film

In 1976 verfilmde Roland Verhavert Pallieter naar een scenario van Hugo Claus. Het resulteerde in een notoire artistieke flop. Ik stel voor dat het boek een tweede kans krijgt als pornografische film. Dankzij de vooruitgang in de digitale technologie hoeft dat niet eens zoveel te kosten. Mijn connecties bij het Vlaams Audiovisueel Fonds stelden alvast Palflieter als werktitel voor.

Het mooie is dat de verhaalstof er zich ook nog eens prima toe leent:

  • Pagina 67: Pallieter fantaseert over zijn toekomstige bruid Marieke “Hij zag niet meer het blauwe kleed met witte bollekes, maar steeds een poezelig naakt lijveken met schoon geronde vormen.”

  • Pagina 73: Pallieter krijgt een lift van een boerenmeid: “(H)ij omprangde haar vaster, en gaf haar een kus op de bollige, vaste kaken.” Even later volgt de conclusie: “Onvoorziene liefde smokt het best.”

  • Pagina 74 schenkt ons de mogelijkheid tot enige torture porn: “(H)ij had haar kunnen kraken en opeten en pijn doen, uit hij wist niet welk gevoel.”

  • Op pagina 78 wordt er paard gereden: “(E)n alzoo zag Pallieter, ten volle uit, haar bloote beenen en boven hare rechterknie den witten garen kant van hare broek.” Gevolgd door: “Marieke keerde zich om tot Pallieter en was buiten asem, hare boezemkens gingen rap op en neer, zij kost er bijna niet van spreken, (…)”

  • Op pagina 92 wordt er nog maar eens paard gereden: “Hij zag door de natte, witte mousselinen kleeren, die klaar op haar rozig lichaam plakten, hare fijne vormen afgeteekend, de lijnen van de heupen en den bil, en de tepeltjes van haren jonge, nog rechtstaande borsten.”

  • Pagina 99, tijdens een nachtelijke wandeling: “Pallieter omprangde haar vaster, en kuste haar zonder ophouden, op de malsche kaken, op den natten mond, de toeë oogen, dat zij er hals en lijf van rok. Zij was als weggesmolten in zijn hartstocht, en liet zich hangen zonder wil in zijn sterke armen.”

  • Pagina 101, bij het uitrusten van die wandeling: “(E)n zoo zaten ze daar bijeengekropen lijk twee jonge konijntjes.” Ik mag dan volledig vervreemd zijn van de natuur, ik weet heus wel waar konijntjes om bekend staan.

  • Pagina 116, tijdens een cafébezoek: “Terwijl de meid zich bukte om een cent op te rapen, zag hij haren schoonen bruinen hals, en wip! hij lei een natten kus op het gemollig vleesch.”

  • Pagina 143, na het huwelijksfeest: “Zij grepen elkander vast, en begosten te fikfakken lijk twee kleine kinders.”

Er hoeven kortom nauwelijks tekeningetjes bij gemaakt te worden. Ik krijg er bijna goesting van om mezelf heruit te vinden als natuurmens en levensgenieter. Ergens beweert Pallieter: “Fillesoof zijn is ni schrijve, mor is leve!” Aan ons de opdracht dat in de eenentwintigste eeuw om te buigen tot: filosoof zijn is niet schrijven maar porno kijken.

Eddy Lipstick, jongen, hoog tijd om u een bibliotheekkaart te fiksen.