Vergeten schrijver: Loekie Zvonik (2/4)


essay door

Wout Vlaeminck heeft een boontje voor vergeten schrijvers zoals Paul Brondeel, Rita Demeester en Bob Willems, maar zijn grootste boon gaat zonder twijfel naar Loekie Zvonik, schrijfster van de met de Debuutprijs bekroonde roman ‘Hoe heette de hoedenmaker’? Bij het overlijden van de schrijfster, schreef Jeroen de Preter dat Zvoniks debuutroman niet enkel gelezen kan worden als een biografie van Dirk de Witte, maar ook als een biografie van de schrijfster zelf. En dat geldt eigenlijk voor Zvoniks gehele oeuvre. In deel 2 van dit vierdelig essay ligt de focus dan ook voornamelijk op de biografische gegevens die Zvonik zo vakkundig tot aangrijpende literatuur wist vorm te geven.

In 1971 neemt Zvonik een loopbaanonderbreking om samen met haar gezin tien maanden in Zuid-Afrika te verblijven, waar Rudi met een beurs zijn doctoraatsthesis zal voorbereiden. Het is tijdens deze tien maanden in Grahamstad dat Zvonik aan een eerste versie van Hoe heette de hoedenmaker? werkt. Een eerste versie, met de titel Kleine vrouwen hebben het gedaan, werd wegens “te sentimenteel” herwerkt, en een latere versie was “te kil, te onleesbaar”, waarna een derde versie, het uiteindelijke manuscript onder de titel Hoe heette de hoedenmaker? in handen van Ingrid Sijmons, werkzaam bij Standaard Uitgeverij, viel. Sijmons is meteen laaiend enthousiast en wil het manuscript koste wat het kost uitgegeven krijgen.

In 1972 verschijnt nog het verhaal Kinderen krijgen, net als Maar in plaats van de koekoek in Nieuw Vlaams Tijdschrift,  maar in 1975, vijf jaar na de dood van Dirk de Witte, verschijnt eindelijk Zvoniks eigenlijke debuut. Voor het eerst onder het pseudoniem Loekie Zvonik. Eerdere publicaties waren onder het pseudoniem Loekie Zvonicek verschenen, maar Standaard Uitgeverij vindt zo’n exotisch klinkende familienaam niet lekker bekken. De titel is een verwijzing naar de reis die Hermine en Didier ondernemen, en naar notities die na het overlijden van De Witte in zijn werkkamer teruggevonden werden.Wanneer Hermine en Didier Wenen verkennen, stuiten ze op de winkel van een hoedenmaker, die Domac heet. Domac betekent ‘thuis’. Wanneer Hermine in Wenen aanbelandt, is zij halverwege ‘thuis’, namelijk het Praag uit de verhalen van haar vader. In De hoedenmaker belooft Didier Hermine om gelukkig proberen te zijn, om het volgende jaar samen met Hermine naar haar ‘thuisstad’ Praag af te reizen. Hij associeert Praag, de stad met de dertien bruggen en de eindeloze mogelijkheden, met een existentiële verlossing: samen met Hermine zal hij ‘eindelijk thuis zijn’, hij zal eindelijk gelukkig zijn. Uit de nagelaten notities van De Witte:

De dertien bruggen zullen nooit worden overschreden. Elke brug geeft uit op een deur. Achter elke deur: een nieuwe deur? Ik kan niet geloven in de sage. (…) Dertien namen en elke naam een brug en elke brug uitgevend op een deur en achter elke deur een nieuwe deur. Ik geef je namen, ik werp bruggen naar jou: en op een dag trek je je muren weer op en word je een belegerde vesting.

Mede dankzij het autobiografisch karakter van het boek en de gevoelige verteltrant, wordt Hoe heette de hoedenmaker? meteen positief onthaald, en weet in het daaropvolgende jaar de Vlaamse Debuutprijs weg te kapen. Er is zelfs even sprake om Zvoniks roman te verfilmen. De hoedenmaker wordt meermaals herdrukt, en Zvonik zelf wordt talloze keren geïnterviewd.

Op de vraag waarom het zo lang wachten was op haar debuut, antwoordt ze dat haar baantje in het onderwijs haar niet veel vrije tijd laat, en dat ze haar gezin en huishouden op de eerste plaats stelt. Als klein meisje had ze wel al het idee schrijfster te willen worden, maar later twijfelde ze aan het belang van wat ze tot dan toe had meegemaakt. “Louter fictie schrijven kan ik niet”, zegt ze hierover. Toen ze de verhaallijn voor haar haar debuutroman als het ware aangereikt kreeg, was het uitschrijven van die anekdote een vrij logische en dus niet zo’n moeilijke opgave.

De gruwel ontvluchten

Vier jaar later, in 1979, verschijnt Duizend jaar Thomas, waarin ze verslag doet van de gruwelijkheden die mensen elkaar aandoen in oorlogstijd. Ook deze roman is deels autobiografisch: bij de aanvang van het boek lezen we hoe het meisje Marie en haar familie uit Eeklo vluchten, opgejaagd door de oorlog.

Ondanks Maries prille leeftijd is zij zich al erg bewust van de vergankelijkheid van de dingen, van het heimwee, van het voorbijgaan, van het grote vergeten. Over haar grootmoeder zegt zij:

Ik voel aan, alhoewel ik dat op die prille leeftijd nog niet onder woorden kan brengen, dat deze vrouw bijna geen uitstaans meer heeft met mijn leven, zij behoort tot een andere orde, tot de orde van wezens die niets meer zijn dan entourage, zoals oude huizen in een stad of oude honden in een straat en die plots weg zijn, verdwenen en niemand zegt er wat van, er komt een ander decor.

Marie ontdekt dat de vier fundamentele kernpunten van het leven,- liefde, zelfontplooiing, bestendiging van het nageslacht en sterven, dagelijks worden verkracht en geen garantie bieden voor een veilige toekomst. Ze komt tot de conclusie dat alle illusies van de schoonheid van het menselijk bestaan moeten eindigen in een onvermijdelijk verval.

Al aan het begin van de roman wordt vooruit gewezen naar een gitzwarte toekomst, waar geen plaats is voor een waardig bestaan:

En dat we zo gelukkig waren, verzuchtte mijn moeder, het komt nooit meer terug. Alsof ze voorzien kon dat de rest van de twintigste eeuw in ononderbroken krijgsrumoer zijn verloop zou vinden, met steeds ergens in de wereld langs de wegkant gewelddadige dood en vernieling als menselijke bestemmingen, met plagen en kastijdingen van ongeneeslijk blijvende ziekten, het aanleren van de nieuwe dodendansen.

Net als in Hoe heette de hoedenmaker? onderneemt het hoofdpersonage in Duizend jaar Thomas een reis in de hoop volwassen te worden, een zekere vorm van emotionele zelfstandigheid te ontwikkelen, maar uiteindelijk wordt het toch weer een zoektocht naar wat voorbij is: eenmaal in Londen besluit Marie immers op zoek te gaan naar haar jeugdliefde, Serge:

Ze moest denken aan de tijd toen ze met Serge samen was. Aan de dagen alléén, aan het zwerven door de straten en het rondhangen in de cafés en bioscopen had ze niet genoeg. Ze wou onafgebroken bij hem zijn, ook ’s avonds of ’s nachts. Alsof een liefde van korte duur geen tussentijds afscheidnemen kon verdragen. Ze woonden toen praktisch in de wachtkamers van stations.

“Ik hoop dat hij nog dezelfde is als in de tijd toen we elkaar tussen de treinen naliepen,” verzucht Marie. En even verderop: “Treinen zijn het symbool van onbereikbare verlangens, waar zij uit het landschap verdwijnen, nemen zij ook het leven met zich mee.”

Aan het begin van de roman is Marie op zoek naar haar vriendje Thomas. Gemodelleerd naar één van Zvoniks jeugdvriendjes, is Thomas het jongetje met het soldatenhart: tijdens een spelletje meent hij Eeklo tegen de vijand te moeten verdedigen en valt hij van de spoorwegbrug. Later zal Marie steeds op zoek gaan naar deze Thomas, die het zinloze ten onder gaan van onschuld belichaamt. Ze vindt Thomas terug in dagdromen en herinneringen. Dat fantaseren is voor haar een ontsnappingsroute uit de barre realiteit:

De mens is niet trouw aan wat hem verscheurt of verblijdt. Hij eist voor zichzelf het recht op, zijn grote verbijsteringen ondergeschikt te maken aan zijn kleine noden.

Maar ondanks Maries verwoede pogingen de realiteit te ontvluchten, wordt ze steeds weer met het menselijk lijden geconfronteerd: de smerigheden van de concentratiekampen en loopgraven, het in doodsangsten ten onder gaan in het besef dat alle zogezegde heldenmoed slechts een inhoudsloze illusie is, want “er zijn geen oorlogshelden. Er zijn primaire barbaren en er zijn sukkels.”

Op de trein ontmoet ze een jongen die Thomas heet, hij leest het boek Thomas de leugenaar van Jean Cocteau. Over een jongen die graag een held wil zijn maar roemloos sneuvelt. Ze wordt verliefd op haar buurjongen Thomas, met wie ze kleine reisjes maakt. Wanneer Marie ontdekt dat ze zwanger is, besluit ze volop te leven, zich niet langer over te geven aan het sinds lang voorbije verleden. Ze houdt van Thomas, maar heeft eigenlijk geen oor meer voor wat hij haar te vertellen heeft:

Maar [ik] denk nog dikwijls aan Thomas in het Verdronken Land van Saaftinge, of aan Thomas in Etaples waar hij de zee niet kon vinden. Ik zal Thomas nooit vergeten. Wat vast en zeker verkeerd is en pijnlijk. Of oneerlijk en meelijwekkend vanuit de ogen van de anderen, de wijzen en diepbedroefden die de handen wringen over mijn geluk en over de angst dat dit geluk zou stuk springen.

Een tweede overeenkomst met Zvoniks debuutroman is het fragmentarische karakter van Duizend jaar Thomas. Zo is het niet altijd duidelijk wanneer zich iets in het heden of het verleden afspeelt, wanneer iets droom of werkelijkheid is. Wanneer Zvonik aan het eind van de roman over Thomas’ val van de brug schrijft, is het na een eerste lezing niet helemaal duidelijk over welke Thomas het nu precies gaat: het jongetje dat zoveel jaar geleden tijdens een spelletje van de spoorwegbrug viel, of Maries buurjongen.

Nog een andere overeenkomst met Hoe heette de hoedenmaker? zijn de verwijzingen naar de door Zvonik bewonderde auteurs en kunstenaars. En net als in haar eerste roman vervullen die verwijzingen een bepaalde functie: ze ondersteunen het verhaal en stuwen het voort. In Duizend jaar Thomas komt de naam Marie net zo vaak voor als de naam Thomas: “Tenslotte heten alle vrouwen Marie.” Zvonik verwijst onder meer naar Marie, de moeder van Egon Schiele en naar Marie Dubois en Marie Laurencin, de vrouwen van wie de dichter Guillaume Apollinaire onnoemelijk veel hield.

Apollinaire is trouwens een belangrijk personage in Duizend jaar Thomas. In een brief aan Leo Geerts schreef Zvonik over deze “mythe van de familie”: Zvoniks grootmoeder, die ook Marie heette, zou nog voor de jonge Apolinnaire hebben gedanst.1 In Duizend jaar Thomas wordt dit tot een voorrecht verheven:

Grootmoeder verkeerde in de overtuiging dat het feit dat zij eens voor hem had gedanst, mij, het kleinkind, zou overladen met zegeningen. Want, zei ze, goede wensen en voortekens slaan altijd één generatie over, net als karaktertrekken of gebreken.

Ook wordt in Duizend jaar Thomas opnieuw naar bestaande personen verwezen. Zvonik beschrijft net als in haar debuutroman hoe haar vader vanuit Tsjechië naar Vlaanderen kwam, en hoe belangrijk zijn heimwee naar zijn vaderland voor haar is geweest. En net als in Hoe heette de hoedenmaker? maakt ook groottante Louise opnieuw haar opwachting. Deze Louise was de zus van Zvoniks grootmoeder. Zvonik voelt zich zeer met deze Louise verwant. Het is haar groottante die haar Colette, Montherlant, Cocteau, Blaise, Cendrars en Apolinnaire had leren lezen. In haar brief aan Geerts beschrijft Zvonik Louise als een “uitzonderlijk mooie vrouw”:

En ten gevolge daarvan en ook om de steeds met haar meerennende armoe in wat zoeters om te zetten, werd zij de maîtresse van enige heren. Deze heren bezaten (omstreeks 1900 en daarna) auto’s en villa’s bij de Maas. Zij bezaten ook wettige echtgenoten. Tergevolge waarvan de mooie Louise nogal eens ijlings op de vlucht ging voor de afgevaardigden der echtscheidingsadvocaten wier taak het was het nog warme overspelige bed te bevoelen.

Telkens stond Louise na zo’n breuk berooid op straat. Toch kon ze als een welgestelde vrouw door het leven gaan door de vele juwelen die haar cadeau waren gedaan. Later werd groottante Louise verliefd op een zestien jaar jongere werknemer aan het Sint-Pietersstation in Gent, en leefde ze bij zijn gratie. Nooit heeft ze de haar geschonken juwelen verpand, maar deelde die met haar twee nichtjes, Hermine en Mira.

Ook Duizend jaar Thomas is dus, zij het in mindere mate dan Hoe heette de hoedenmaker?, sterk autobiografisch.

Met behulp van steeds herhaalde zinnen en het gebruik van terugkerende symbolen en stilistische ingrepen, schept Zvonik een eigen wereld, die ondanks een bijzonder intimistische stijl toegankelijk blijft voor de lezer.

Opnieuw waren de literaire critici haast onverdeeld gelukkig met Zvoniks roman. Met Duizend jaar Thomas ziet criticus Albert Westerlinck Zvoniks “groot talent” bevestigd2 en in Gazet van Antwerpen schrijft Remi Van de Moortel dat het boek “eerst verbaast en daarna diep aangrijpt”.3 Voor haar tweede roman ontvangt Zvonik de Yang-prijs en de Mathias Kemp-prijs.

Volgende week: deel drie. Het menselijk falen.

  1. Brief van Loekie Zvonik aan Leo Geerts, gedateerd 30 maart 1981. AMVC Letterenhuis, Antwerpen.
  2. Albert Westerlinck, ‘Loekie Zvonik: een groot talent’, Dietsche Warande & Belfort, nr. 124, 1979.
  3. Remi Van de Moortel, ‘Duizend jaar Thomas’, Gazet van Antwerpen, 22-23 september 1979.