Vergeten schrijver: Loekie Zvonik (3/4)


essay door

Wout Vlaeminck heeft een boontje voor vergeten schrijvers zoals Paul Brondeel, Rita Demeester en Bob Willems, maar vooral voor de zestien jaar geleden overleden Loekie Zvonik, schrijfster van de wondermooie debuutroman ‘Hoe heette de hoedenmaker?’ Ze schreef over het menselijke falen en de broosheid van het bestaan. Zvonik was een gevierd auteur, haar werk viel meermaals in de prijzen. Toch besloot ze na slechts drie romans met schrijven op te houden. In deel 3 van dit vierdelig essay doet Vlaeminck uit de doeken waarom.

Het menselijk falen

Zvoniks derde roman verschijnt niet zoals haar beide voorgaande boeken bij Standaard Uitgeverij, maar bij Manteau. Aanvankelijk is Ingrid Symons bij Standaard Uitgeverij actief. Zij staat erop een persoonlijke band met de auteurs van het fonds te onderhouden. Zo belt ze Zvonik geregeld op om te vragen hoe het gaat, zonder meteen naar nieuw werk te vragen. Nooit dwingt Symons auteurs tegen een bepaalde datum een nieuw boek af te hebben. Zvonik hecht hier veel waarde aan:

Een boek schrijven is iets anders dan een koelkast of een nieuw type auto afleveren. Zonder contact tussen uitgever en schrijver, krijg je al gauw de indruk dat je een nieuw product op de markt gooit, dat even functioneel moet zijn als een gebruiksvoorwerp uit de huishouding. (…) Zonder contact krijgt een schrijver de indruk dat hij op een eiland werkt en het eigenlijk niemand kan schelen of hij al dan niet publiceert.1

Symons wordt later opgevolgd door Bea Descamps, die dezelfde werkstijl hanteert. Wanneer ook zij plots bij Standaard Uitgeverij verdwijnt, is het contact tussen Zvonik en haar uitgever enigszins gebroken. Ondertussen is ze ook al door Manteau benaderd, dé literaire stal bij uitstek. Zvonik hapt toe.

Op het voorplat van De eerbied en de angst van Uri Bosch staat ‘De hel’, het rechterluik van de triptiek ‘De hooiwagen’ van Jheronimus Bosh afgebeeld. Een goedgekozen omslagfoto voor een roman waarin de gruwelijkheden en de desolaatheid waaraan de mens ten prooi valt onomwonden uit de doeken worden gedaan. De eerbied en de angst vertelt namelijk het verhaal van polemoloog Uri, die na een auto-ongeluk maandenlang aan een ziekenhuisbed gekluisterd is en aan verschrikkelijke hallucinaties lijdt. Zijn echtgenote Ima weet zich geen raad met de situatie, heeft daarbovenop nog andere zorgen: haar huishouden en de zorg voor haar kind. Ze voelt zich schuldig wanneer ze beseft dat zij en Uri al jaren onvolmaakt voor elkaar geweest zijn, “ze had hem ingeruild voor andere speelkameraden”:

Ze wou hem vertellen over hoe twee mensen na een onafzienbare reeks van misverstanden en ontgoochelingen, na een onafzienbare tijd van zich gekwetst voelen, gewond zijn in het hart, ten slotte meenden als doodsvijanden tegenover elkaar te moeten staan. Hoe één naderhand wanhopig probeerde de oorspronkelijke staat van liefde en vertrouwen te herstellen. Voorlopig tevergeefs.

In eerste instantie lijkt De eerbied en de angst de nadruk op het privé-leven van de personages te leggen, maar dat klopt niet helemaal. Het ongeval en het genezingsproces van Uri dienen voornamelijk om de eigenlijke verhaallijn te helpen ondersteunen: beschrijvingen van de lichamelijke en mentale letsels die Uri aan zijn ziekenhuisbed gekluisterd houden, worden afgewisseld door gruwelijke oorlogstaferelen. Beide verhaallijnen vloeien moeiteloos in elkaar over, waarbij het vooral de nachtmerrieachtige beschrijvingen van oorlogen, kernrampen en dodelijke ziektes zijn die aan de ribben blijven kleven. Daarbij gaat het individuele lijden van Uri en Ima telkens verloren in het wereldgebeuren.

Hoewel het oorlogsdocumentaire thema in De eerbied en de angst primeert, zijn er hier en daar toch nog enkele autobiografische elementen terug te vinden. Zo zijn het ongeval en het herstelproces van Uri gebaseerd op een zwaar verkeersongeval waarbij Zvoniks echtgenoot Rudi betrokken was. In een dagboek hield Zvonik hiervan verslag bij, en werkte dit later uit tot een ongepubliceerd gebleven roman, Dagboek van een auto-ongeval.2 Dit manuscript ligt aan de basis voor Zvoniks derde roman: grote fragmenten worden letterlijk uit Dagboek overgenomen en ook De eerbied en de angst is als een dagboek opgebouwd.

Ook inspiratie voor de naam Uri vond ze in de realiteit: Uri, een vriend van haar moeder, vertrok met vrouw en vijf kinderen op vakantie naar Nederland, maar kwam in een verkeersongeval terecht en was de enige overlevende. Dat gegeven maakte zo’n geweldige indruk op de schrijfster, dat het voor haar vaststond dat als ze over het slachtoffer van een verkeersongeval zou schrijven, het personage Uri zou gaan heten.

Maar Uri is ook afgeleid van de bijbelse figuur Urias, die door koning David tijdens een strijd vooraan moest vechten, zodat hij zou sneuvelen en David met Urias’ vrouw kon huwen. Dit gegeven stelt Zvonik in staat het personage Uri aan oorlog te linken en de verwijzingen naar huwelijkse ontrouw doorheen de roman te ondersteunen.

Ontrouw is trouwens een thema dat in alle romans van Zvonik aan bod komt: Hermine ruilt haar echtgenoot kortstondig in voor Didier, Marie houdt ontzettend veel van Thomas, en ook Ima en Uri zijn elkaar lang niet altijd trouw. Ook dit vindt zijn oorsprong in het echte leven: Zvonik en Strybol hebben een vrije, open relatie. “Er zijn vele manieren om lief te hebben,” stelt Hermine in Hoe heette de hoedenmaker?, “De meest voorkomende is lief te hebben in de hoop gelukkig te zijn.”

Ik denk: hoe kan ik hem vertellen dat wij hier in dit huis ons al lang hebben neergelegd bij de overtuiging elkander zeer onvolkomen lief te hebben, en dat wij gelukkig zijn in dat besef. We vragen rust, vrede, vriendschap, en is dat eigenlijk al geen liefde, van elkander en dat is het niveau dat we weten meestal te kunnen bereiken.

Zowel als personage als vertelster neemt Zvonik in De eerbied en de angst enigszins afstand. Waar Hoe heette de hoedenmaker? een volledig autobiografische roman betreft, zijn zowel Duizend jaar Thomas en De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch veel minder intimistisch van aard: in een duizelingwekkende verteltrant slaat Zvonik ons telkens weer om de oren met gruwelijke feiten: hoe het nu precies kwam dat in Zuid-Amerika pasgeboren kinderen in vuilnisbelten gevonden werden, hoe kinderen de tong uit de mond worden getrokken en hoe mensen bij een atoomoorlog aan het smelten en het branden gaan. Bladzijde na bladzijde roept Zvonik beelden van angst en menselijk falen op. De gruwel wordt voor de lezer bijna tastbaar gemaakt:

Daartussen holden paarden, vinnige legerpaarden, met brandende manen, ze probeerden mensen, kinderen te ontwijken, ze woelden met hun hoeven in wat niet meer als mens of dier te herkennen viel, hinnikten, briesten, hun ogen wilden niet meer mee, hun mooie slanke benen wilden niet meer mee, ze stonden stil en snoven, ze gingen schrijlings staan, bevend, urine kolkte om hun billen en buik, hun achterbenen knikten door, ze jammerden, ze zakten voorover met zwaar geweld, ze kantelden en legden hun hoofd op de hete grond, wisten niet dat zij blind waren, dat hun bruine ogen uit de kassen leekten, daar jeukte alleen maar wat en dat jeuken ging verloren in de grote pijn, wisten niet dat het grote regenen was begonnen, dat dode kinderen de Aioi-brandgang blokkeerden, dat stervenden in alle hoeken en kanten te hikken lagen. Het was een vreemde, kleverige regen die neerkwam, een wolkbreuk van zwarte vlokken, vol met uit de stad opgezogen stof en resten.

Dit soort huiveringwekkende beschrijvingen worden ook versterkt door een hallucinerende Uri. Hij denkt dat hij de westerse dissident Gregory Berglund is, waant zich in een militair psychiatrisch ziekenhuis. De naam Ima associeert hij met Hirosjima. En buurjongen Leo leest De waanzinnige veertiende eeuw, waarin Barbara Tuchman parallellen trekt tussen de veertiende en de twintigste eeuw: de jodenvervolging, de constante oorlogsangst, industriële chaos, de nieuwe ziekten die ons bedreigen.

Met De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch wil Zvonik waarschuwen voor de wreedheden die de mens als individu en masse verscheuren. De kans dat Uri zijn letsels overleeft is bijzonder klein, maar zijn uitzonderlijke levenswil stelt hem in staat zijn lijden te boven te komen. Volgens Zvonik vind je die levenswil niet enkel in individuen, maar ook in een massa mensen: wie de feiten kent en zich bewust is van het feit een speelbal te zijn in de handen van enkele verloederde leiders, kan de keuze maken te vechten om te overleven. Zvonik stelt dat je de gruwel onder ogen moet zien, dat je nooit gevoelloos tegenover zoveel leed mag staan. Op het eind van haar roman, laat ze Uri een op straat verzamelde menigte toespreken:

Wij moeten ons wapenen tegen de zelfmoord die wij met vier miljard aardbewoners aan het overwegen zijn. Ik predik, zei Uri, de vreedzame revolutie. (…) We moeten, zei Uri, gevoelig blijven voor pijn. Zij die nooit pijn gehad hebben, kunnen zich niet voorstellen welke martelingen, ook in traditionele oorlogen, de hulpelozen worden aangedaan. Zegt niet, dit overkomt de anderen. Zegt, dit overkomt mij en mijn kinderen. Zegt, ik ben in Guatamala. Soldaten gooien baby’s in de lucht en halen ze met een geweerschot neer. Hutten worden in brand gestoken, mannen, vrouwen en kinderen komen daarin om. Zegt, ik ben in één van die hutten en mijn kinderen zijn waanzinnig van angst en pijn. Zegt, mijn baby wordt als een patrijs afgeschoten en ik sta ernaar te kijken. (…) Zegt, wij weigeren de terreur van het geweld, van de angst. Wij aanvaarden voortaan slechts vrede, mededogen, blijdschap, de verrukkingen die voor het menselijk ras zijn weggelegd. Het weze zo.

In het boek is er dus ook plaats voor hoop op beterschap. De eerbied en de angst is niet enkel een aanklacht tegen de wandaden tegen de mensheid, maar ook een aanklacht tegen het doemdenken. Wie leeft in de eerbied en de angst voor het leven, heeft ook meer respect voor dat leven, leeft ten volle in het besef het dagelijkse geluk zó weer kwijt te kunnen zijn.

Ima gaat aan het eind van het verhaal dan wel alleen naar huis en Uri predikt enkel wat zij al weet, maar toch is ze enorm opgelucht. Ima beseft dat het leven bijzonder broos is en dat je steeds dankbaar moet zijn voor de kleine, huiselijke vrede. En dat het noodzakelijk is te blijven hopen op vrede op grotere schaal:

De verrukkingen, fluisterde ze en prevelde voor zich heen haar verrukkingen. En zij vergat er veel die ze pas later aan de lijst zou toevoegen: Het kind kan de r uitspreken. De avonturen lezen van Pierre Mac Orlan en B. Traven. Aan zee zijn. Met de trein naar Anatolië reizen. Wat kleine pijn nu en dan om de nederigheid te onthouden. Liefhebben. Ademen. Respect hebben voor.

Zvoniks derde roman wordt aanzienlijk minder goed ontvangen dan zijn voorgangers. Volgens Knack is Zvonik “erg bedreven in het verknallen van een goed boek”3, en in Ons Erfdeel schrijft Hanneke van Buuren dat “alles in woedende woorden blijft steken” en verwijt ze de schrijfster niet eens op zoek te gaan naar een oorzaak of verklaring voor zoveel oorlogsgeweld.4

Literaire critici zijn het bij het verschijnen van haar derde roman niet eens met de hoeveelheid strijdvaardigheid die Zvonik aan de dag legt. Recensenten verwijten haar dat haar personages niet uitgewerkt zijn, dat de parallellen tussen de veertiende en twintigste eeuw niet voldoende uitgediept zijn. Maar die critici hebben de innerlijke samenhang van het boek niet aangevoeld: Ima is een doodgewone vrouw, leest de krant, wordt dagelijks met terreur -en oorlogsberichten geconfronteerd. Haar man herstelt van een dubbele schedelbasisfractuur, Ima zit elke dag aan zijn bed gekluisterd. Ze heeft geen tijd zich op cultureel vlak te ontwikkelen, het weinige dat ze verder meemaakt, is wat iemand haar over de veertiende eeuw vertelt. Op de vraag van Lionel Deflo in Kreatief of er in Vlaanderen iets als ‘een stille generatie’ schrijvers bestaat, antwoordt Zvonik bevestigend en legt ze uit wat dit begrip voor haar precies betekent. Daarbij stelt ze zich bijzonder geëngageerd op:

(…) de stille generatie, die noch gilt noch betoogt, maar in stilte haar erfzonde tot een oeuvre poogt om te zetten (…), een werkelijk erg stille generatie van mannetjes en vrouwtjes die niet polemiseerden, geen theorieën bouwden en uiteindelijk zelfs geen boekjes meer schreven, omdat de onmacht hun deel was, omdat de fin de siècle van hun generatie geen fijnzinnig aristocratisch spel meer kan zijn. Omdat het einde ven een millennium hen confronteert met eeuwen van menselijke barbaarsheid. (…) De stille generatie komt tijd te kort om het leven te overschouwen, in een zinnig geheel te ordenen. Zij likt dagelijks haar wonden bij de niet-aflatende berichten over slachtpartijen, bootvluchtelingen, menselijke waanzin. Opwaaiende zomerjurken en zonsondergangen boven parkeergarages zijn mooi en verontrustend, maar ze zijn des mensen. Ze passen nog altijd in een bekend mensbeeld dat een afrekening, een peilen naar, een filosoferen over, toelaat. Misschien wil de stille generatie haar onmacht t.o.v. de chaos in stilte ombuigen naar een nieuwe menselijkheid.5

Ondanks de eerder terughoudende of ronduit negatieve kritiek die het boek ontvangt, wordt De eerbied en de angst door het publiek in de armen gesloten. Zvonik heeft dus nooit moeten twijfelen aan de noodzaak van haar literaire werk.

Toch zal er na haar derde roman geen nieuw werk meer verschijnen. Nochtans laat Zvonik in Flair6 optekenen dat ze nog steeds zin heeft om opnieuw aan het schrijven te gaan, al gaat ze wel een hele tijd gebukt onder de gevolgen van een verkeersongeval. Kort na de publicatie van De eerbied en de angst, wordt haar wagen opgeschept door een vrachtwagen, en hoewel het ongeval een goede afloop heeft, betekent het toch verplichte rust:

Het schrijven ligt dus helemaal stil en het zal ook nog wel even duren voordat ik daar weer aan toe ben. Ik was voor het ongeluk ook nog nergens mee bezig omdat het gebeurde kort na het verschijnen van mijn laatste boek.

“Maar,” verzekert ze, “de schrijfdrang is er nog en ik hoop dat ik gauw weer aan het werk kan!” Maar volgens Luuk Gruwez had het ongeval een veel zwaardere impact op het schrijverschap van Zvonik dan ze zelf beweert. In Ik wil de hemel en ik wil de straat7 schrijft hij:

Ik herinner mij dat ik haar ging opzoeken in het ziekenhuis, toen een mens nog was toegestaan daar zijn tijd te nemen voor bedlegerigheid en revalidatie. Zij had net een zwaar verkeersongeval achter de rug, ten gevolge waarvan haar concentratievermogen dermate was aangetast dat zij niet meer tot de lectuur van een roman of een non-fictieboek in staat was. Enkel stripalbums kon zij nog aan. Toch klonk zij nog bijzonder lucide. Maar haar schrijverscarrière? Daarvan leek het mij dat zij die als duidelijk afgerond beschouwde.

In Topics Magazine8 wordt nog, vrijwel onopgemerkt, het verhaal ‘De kleine deegtrog op onze westkust’gepubliceerd, en een gedicht wordt opgenomen in Roepen om de dag, een uitgave van Amnesty International9, maar daarna is er enkel stilte.

Wel is de naam Loekie Zvonik terug te vinden in de colofon van het ‘Algemeen Kultureel Tijdschrift’ Handen. Stichteres en bezielster van dat tijdschrift was Gabriëlle Demedts, zus van André Demedts. De redactie van Handen was volledig samengesteld uit dichteressen en romanschrijfsters, onder wie Mireille Cottenjé, Lut Ureel, Carla Walschap, Anne Dellart en Monika van Paemel. Bedoeling was zoveel mogelijk vrouwen de kans geven om te publiceren in een tijdschrift: soms werd er gevraagd om een recensie of essay te schrijven of enkele gedichten in te sturen. Maar hoewel Zvonik van bij het eerste nummer in 1984 tot het laatste in 1989 lid van de redactie was, werd er nooit een redactievergadering gehouden. Demedts had namelijk een ‘kernredactie’ en daar werd de ingezonden kopij besproken. Bovendien heeft Zvonik zelf nooit wat in Handen gepubliceerd. Gerda Berckmoens, die in de kernredacrie van het tijdschrift zetelde, herinnert zich wel een telefoongesprek met Zvonik over een eventuele bijdrage, maar ze had toen net dat auto-ongeval achter de rug, en er is nooit wat van haar in Handen verschenen: “Het had een verhaal moeten worden,” weet Berckmoens nog te vertellen, “Ze klonk aangedaan, allicht door dat recent auto-ongeval. Een beetje onsamenhangend. Auto’s en Dirk De Witte; de link was gauw gelegd. Ik durfde niet aandringen.”10

Schrijfster Elisabeth Marain daarentegen legt de oorzaak voor het niet langer willen schrijven niet bij het auto-ongeval, maar bij de negatieve ontvangst van Zvoniks laatste roman:

Ik herinner me Loekies grote teleurstelling over de ontvangst van haar laatste boek. Ze heeft me toen gezegd niet meer te willen publiceren. Ze deed liever vrijwilligerswerk in een ziekenhuis, dat vond ze tien keer zinvoller. Of ze dat ook ooit heeft gedaan weet ik niet, maar het schrijven of althans het publiceren is er nooit meer van gekomen.11

Bovendien kostte schrijven haar erg veel moeite: na de publicatie van een roman had ze telkens twee jaar nodig om te recupereren, om zich met praktische zaken bezig te houden. En om gericht te lezen voor alweer een volgend boek:

Over gericht lezen, documenteren, schrijven en herschrijven doe ik nog eens twee jaar. En dan beklaag ik me er nog wel eens over dat ik een baan heb, want als ik meer tijd zou hebben, zouden mijn boeken er wellicht nog helemaal anders uitzien.12

Zvonik houdt er enkele prioriteiten op na: haar gezin, haar huishouden, haar baantje in het onderwijs. Schrijven staat onderaan de lijst. In haar werk verwijst ze vaak naar het moederschap en haar werk als onderwijzeres, die haar weinig tijd laten om zich aan het leven daarbuiten te wijden.“Ik ben niet al te productief”, geeft ze toe, “Het leven is daarvoor te lastig aan de ene kant, en te mooi aan de andere kant. Ik ben even bezeten door de literatuur als door de dingen die van mij verwacht worden: les geven, het huishouden…”13:

Als ik mijn relatie tot de literatuur evalueer ben ik inderdaad een ‘stille schrijfster’. Ik leef een beetje afgezonderd en produceer af en toe een boek. Voor de rest heb ik geen contact met de literaire wereld.

In Brief komt diezelfde nuchtere kijk op literatuur ook naar voor:

En waartoe al dat gehannes? Opdat je woord gelezen en begrepen zou worden? Opdat je boodschap weerklank zou vinden? (…) Omdat je ‘t heilige vuur bezit? Omdat je je bestaan zinvol maakt? Omdat je komt tot zelfontplooiing ter gerieve van de lezende mens? (…) De wijkverpleegster, de bejaardenverzorgster, de slachtoffers van hete en koude oorlogen verdienen meer respect dan de literatoren die over hen schrijven. Want de literator is een egocentrist die de veiligheid verkiest boven het aan den lijve aangevoeld mede-lijden.

Ook lijkt ze ontevreden te zijn over de maatschappelijke en financiële positie van de schrijver:

Waarom krijgt de schrijvende auteur niet gedurende pakweg een jaar een staatsuitkering? (…) Waarom wordt hij gedwongen een schizofreen leefschema aan te houden vermits de schrijverij maar een tiende deel van zijn leven mag en kan uitmaken? Ikzelf heb ooit geleefd in de illusie dat schrijven een enigszins lucratieve bezigheid zou zijn die me (…) zou toelaten me te omringen met wat schoonheid, met wat van “luxe” en “calme” (…) Ik kon zo’n illusie al dadelijk naar de maan schieten: vermits ik kostwinner ben worden mijn honoraria (…) bij mijn wedde gevoegd en betaal ik daardoor extra belasting. Bijkomend inkomen nietwaar? Bijkomend werk dat je maar beter kan laten.

Bovendien had Zvonik in haar drie romans al alle gruwel die aan een mens te beurt kan vallen, uitgewerkt. Wellicht was ze na De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch volledig leeggeschreven. In een interview zei Zvonik ooit dat ze niet schreef om te vergeten, maar om te bewaren. “Want vergeten is armer worden.” En wat viel er na De eerbied en de angst nog te zeggen?

In de essaybundel Veel te veel geluk verwacht komt auteur Hannemieke Stamperius tot een gelijksoortige conclusie:

Toen De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch in 1983 uitkwam was Loekie Zvonik bijna vijftig, een leeftijd waarop de rijkdom van ideeën afneemt ten voordele van de diepte – maar ze had in haar laatste twee boeken het totale kwaad al in alle toonaarden uitgewerkt, het massale kwaad tegenover het hulpeloze individu: wat valt er daarna nog te zeggen? Na de afstandelijkheid, de abstractie van Bosch was er misschien geen verder meer. De drie romans van Loekie Zvonik blijken zelfs zonder kennis van buitenliteraire factoren in hoge mate autobiografisch, maar hoeveel stof levert één leven op?14

Bovendien was Zvonik best onzeker over haar literaire kunnen. Al bij de publicatie van Hoe heette de hoedenmaker? uitte ze twijfels over het belang van haar schrijverschap. “Als dit boek niet goed ontvangen wordt, weet ik niet of ik nog zal schrijven”, zei ze toen. Is het inderdaad zo dat de terughoudende ontvangst van haar derde roman en het steeds oppervlakkiger worden van de literatuur, ertoe hebben bijgedragen dat Zvonik besloot met schrijven op te houden?

In 1995 wordt het verhaal ‘Kinderen krijgen’ nog eens in een bloemlezing opgenomen, en wordt een laatste herdruk van De hoedenmaker op de markt gebracht. Studenten en anderen die aandacht willen voor verhandelingen, opgelegde eindwerken en dies meer worden afgewimpeld.

Eind jaren 1990 is er wel plots de drang nog iets te schrijven, geïnspireerd door het verblijf in Zuid-Afrika vijfentwintig jaar eerder, maar verder dan de documentatiefase raakt Zvonik niet meer: ze is dan al geruime tijd ziek.

Volgende week: deel 4 (slot). Een geheel unieke stem.

  1. De Spectator, 3 september 1983.
  2. Zowel het manuscript ‘Dagboek van een auto-ongeval’ (1973) als het het manuscript ‘Kleine vrouwen hebben het gedaan’ (1971-1972) bevinden zich in het AMVC-Letterenhuis in Antwerpen.
  3. Marc Reynebeau, ‘Tegen het doemdenken’, Knack, 20 april 1983.
  4. Hanneke van Buuren, ‘De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch’, Ons Erfdeel, januari-februari 1983.
  5. Loekie Zvonik, ‘Brief’, Kreatief, nr. 2-3, 1980.
  6. Flair, 30 oktober 1984.
  7. Luuk Gruwez, Ik wil de hemel en ik wil de straat: poëzie en trawanten, Arbeiderspers, 2016.
  8. Loekie Zvonik, ‘De kleine deegtrog op onze westkust’, Topics Magazine, nr. 34, 22 augustus 1984. De villa La Huchette in Sint-Idesbald, waarover Zvonik in ‘De kleine deegtrog’ schrijft, blijkt echt te bestaan: Zvonik bracht er samen met haar gezin vaak de zomervakantie voor.
  9. ‘Het zout der aarde’ (gedicht), Roepen om de dag/Appèl au jour – Gedichten en verhalen, Amnesty International.
  10. Correspondentie met Gerda Berckmoens, 8 juli 2016.
  11. Correspondentie met Elisabeth Marain, 12 juli 2016.
  12. De Morgen, 31 maart 1983.
  13. De Spectator, 3 september 1983.
  14. Hannemieke Stamperius, ‘Het spreken van de stilte’, Veel te veel geluk verwacht. Schrijfsters over schrijfsters 1, Manteau, Antwerpen, 1996.