Vergeten schrijver: Loekie Zvonik (4/4)


essay door

Wout Vlaeminck heeft een boontje voor vergeten schrijvers zoals Paul Brondeel, Rita Demeester en Bob Willems, maar vooral voor  Loekie Zvonik, schrijfster van de bekroonde debuutroman ‘Hoe heette de hoedenmaker?’. In het laatste deel van dit essay vertelt hij ons waarom het werk van Zvonik na meer dan drie decennia nog niets aan literaire waarde heeft ingeboet, en pleit hij voor de heruitgave van Zvoniks bescheiden oeuvre.

Zvonik krijgt af te rekenen met vergevorderde jongdementie, een erfelijke en helaas ook dodelijke ziekte. Zenuwcellen worden beschadigd, waardoor het geheugen en gedrag worden aangetast. Hoewel er geen exacte cijfers bekend zijn, telt België naar schatting 3.000 tot 11.000 patiënten. Men spreekt van jongdementie wanneer de eerste symptomen en de klinische diagnose dementie voor de leeftijd van 65 jaar valt.

Loekie Zvonik sterft op 65-jarige leeftijd op 17 augustus 2000 in het Sint-Salvatorsanatorium in Hasselt.

Een geheel unieke stem

In zijn essay over Zvonik stelt Gruwez dat ze stierf “met weinig talent voor eeuwigheid, maar des te meer voor de arbitraire vergankelijkheid van iets als een tijdvak.”1 Het klopt dat Zvoniks werk typerend was voor de tijdsgeest waarin ze haar werk publiceerde: haar romans sluiten mooi aan bij het ‘therapeutisch schrijven’ dat toen erg in zwang was. Maar sinds Zvoniks laatste publicatie is het literaire klimaat erg veranderd: literaire slachtoffers zijn uit en thema’s als oorlog en sociale onrust zijn niet meer in trek bij het publiek van nu. Misschien was het ook wel het besef dat de mens blind blijft voor de gevolgen van zoveel zinloos geweld en lafhartigheid, dat Zvonik deed besluiten met schrijven op te houden. Als onderwijzeres moet ze hebben beseft dat de geschiedenis, hoe gruwelijk ook, zich steeds herhaalt. En Zvonik verkoos de levenden duidelijk boven de doden. Met alle twijfel en alle deemoed en alle liefde en alle heimwee in haar lijf, wilde Zvonik gewoonweg léven. Wellicht is ze gaandeweg tot de conclusie gekomen dat het wellicht waardevoller is de dingen waar je over schrijven kan, gewoon te beleven en ze in je hart te bewaren.

Toch dringt de publicatie van Loekie Zvoniks Verzameld werk zicht steeds meer op, want een geheel unieke en bijzonder getalenteerde stem als dat van Zvonik mag zeker niet verloren gaan. Na herlezing wordt duidelijk dat haar oeuvre na drie decennia nog niets aan literair zeggingskracht heeft ingeboet. Gezien de kwaliteit van haar werk, het verhaal achter Hoe heette de hoedenmaker? en de literair-historische waarde ervan, zou een herdruk ongetwijfeld op veel interesse kunnen rekenen. In de periode dat Zvonik haar werk publiceerde, was ze een erg gevierd auteur. Zo noemde Jeroen Brouwers De hoedenmaker “de gaafste sleutelroman die ooit in de Nederlandse letteren is verschenen.”2

Ook de thema’s die Zvonik in haar romans heeft uitgewerkt, zijn nog steeds bijzonder actueel: terreurgroepen vechten oorlogen uit onder het mom van sociale gerechtigheid; Europa wordt overspoeld door een grote stroom politieke vluchtelingen, in Nice rijdt een gek met een vrachtwagen op een massa mensen in, waarbij meer dan 80 doden vallen, onder wie 10 kinderen; nog steeds is er discussie over het gevaar van kerncentrales en de mogelijke gevolgen bij een nucleaire ramp; in ontwikkelingslanden worden nog steeds kinderen uitgehuwelijkt of als slaven verkocht; in Duitsland stapt een man een trein op om er met een bijl 15 personen levensgevaarlijk te verwonden; in Turkije neemt een geënsceneerde staatsgreep plaats, waarna president Erdogan de doodstraf opnieuw wil invoeren en gevangengenomen soldaten dwingt naakt in stallen te slapen; honderden rechters, advocaten en leerkrachten worden uit hun ambt ontzet en dagenlang uitgehongerd en verkracht; een grote massa mensen vreest dat de Derde Wereldoorlog zijn aanvang neemt. Het is dit soort gruwel die Zvonik in De eerbied en de angst tot literatuur wist te vertalen zonder het lijden tot heldenmoed te cultiveren.

Bovendien kan een herontdekking van Zvoniks werk de interesse of herwaardering voor enkele andere auteurs bevorderen. In haar drie romans (en dan vooral in Hoe heette de hoedenmaker?) wordt er uitvoerig naar schrijvers als Hesse, Kafka, Pavese en Rilke, Georg Trakl, Maurice Roelants en Emile Verhaeren verwezen. En dat op zo’n manier dat het de interesse en nieuwsgierigheid van de lezer wekt. De relatieve toegankelijkheid van Zvoniks oeuvre biedt dus ongetwijfeld een mooie springplank naar een nog bredere leescultuur.

Maar het samenstellen van Zvoniks verzameld zal wellicht geen gemakkelijke opgave worden: het is erg moeilijk te achterhalen wat al dan niet gepubliceerd werd. Hier een bloemlezing, daar een gedicht… zonder dat het allemaal werd bijgehouden. De inventaris zal wellicht nooit volledig zijn, want ook grasduinen in het bescheiden archief van de schrijfster biedt de vlijtige redacteur geen soelaas.

Enerzijds zijn er de volgekladde schriftjes, doorspekt met citaten en verwijzingen, anderzijds zijn er een paar uitgetikte teksten, geen van alle afgewerkt of volledig. Sommige eindigen abrupt nadat ze de toon hebben gezet voor later herschreven en gepubliceerd werk, bij andere ontbreken pagina’s. Bovendien is het zo dat door nogal historisch geheen-en-weer, delen van Zvoniks archief aan een lichte vorm van tijdelijke onvindbaarheid blijken te lijden. Manuscripten, werkdocumenten en notities zijn in het bezit van Zvoniks zoon, maar niet alle publicaties. Een deel ervan was na 2000 in het bezit van Zvoniks echtgenoot, tot diens dood in 2006.

Zo is er een naamloos, al dan niet gepubliceerd verhaal over begraafplaatsen, geïnspireerd door een bezoek aan Ieper en omstreken tijdens de schoolvakantie, daterend uit 1978. Tussen doorhalingen, krabbels en kattebelletjes door duikt Guillaume Thomas uit Cocteaus Thomas l’imposteur op. Van dit verhaal ontbreken echter de eerste tien pagina’s. Mogelijk gaat het hier om een aanzet tot de roman Duizend jaar Thomas.

Ook is er nog het verhaal ‘Treinen bij avond’, waarin herinneringen aan de kindertijd worden gelinkt aan het gelijknamige schilderij van Paul Delvaux, dat werd geschreven in opdracht van het tijdschrift Flair. De tekst is iets langer dan twee A4’tjes, vrijwel zonder witruimte. Een zoektocht in de catacomben van het magazine leverde echter geen publicatie van Zvonik op. In het archief van de schrijfster bevinden zich wel meerdere uitgetikte en gecorrigeerde versies van ‘Treinen bij avond’, maar een definitieve versie ontbreekt. En wat ongewoon is: geen enkele versie werd van een datum voorzien. Volgens Jirko moet het zo goed als zeker ná juli 1984 (na de publicatie van ‘De kleine deegtrog op onze westkust’) zijn geschreven,- en waarschijnlijk jaren later. Waarom er geen spoor van het verhaal in Flair terug te vinden is, is een raadsel. Werd het misschien op het laatste nippertje door de redactie van het tijdschrift ingehouden? Of is Zvonik er niet meer aan toegekomen het volledig af te werken?

Het is exact 40 jaar geleden dat Zvonik de Debuutprijs in de wacht sleepte. Na vier decennia heeft De hoedenmaker nog niets aan literaire kwaliteit ingeboet, en een herdruk lijkt dan ook een bijzonder mooie gelegenheid om het schrijverschap van Zvonik te vieren en opnieuw onder de aandacht te brengen. Toch blijft de grootste aanleiding om een herdruk of een verzameld werk te overwegen, nog altijd het spijtige feit dat Zvoniks werk volledig vergeten dreigt te worden. De boeken zijn er. Nu is het aan een uitgever met een onfeilbaar oog voor talent om het buitengewone oeuvre van Zvonik te herontdekken en terug aan de man te brengen.

Voor Stijn en alle eeuwig vergankelijke jaren. Voor X en Y en de wondere Hannes.

Bibliografie

1964 `Maar in plaats van de koekoek’, Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 17.

1972 ‘Kinderen krijgen’, Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 25.

1975 Hoe heette de hoedenmaker?, Standaard Uitgeverij, Antwerpen/Amsterdam.

1977 ‘De witte dame’, Vrouwen in Vlaanderen schrijven nu, D.A.P. Reinaert Uitgaven, Zele.

1979 ‘Net iets voor Emma’, Averbodes jaarboek, Altiora, Averbode.

1970 Duizend jaar Thomas, Standaard Uitgeverij, Antwerpen/Amsterdam

1980 ‘Brief’, Kreatief, nr. 2-3.

1983 De eerbied en de angst van Uri en Ima Bosch, Manteau, Antwerpen.

1983 ‘Het zout der aarde’ (gedicht), Roepen om de dag/Appèl au jour – Gedichten en verhalen, Amnesty International.

1984 ‘De kleine deegtrog op onze westkust’, Topics Magazine, nr. 34.

Dit was het laatste deel van het vierdelig essay van Wout Vlaeminck over Loekie Zvonik. Herlees hier het eerste, tweede en derde deel.

  1. Luuk Gruwez, Ik wil de hemel en ik wil de straat: poëzie en trawanten, Arbeiderspers, 2016.
  2. Jeroen Brouwers, De laatste deur, Arbeiderspers, Amsterdam, 1983, p. 459.