Vergeten schrijver: Paul Brondeel (1/3)


essay door

Wout Vlaeminck heeft een boontje voor vergeten schrijvers, zoals de in 2009 overleden Paul Brondeel. In dit driedelig essay komen we alles te weten over deze ‘lispelende schrijver’. In deel 1 maken we kennis met Brondeels moeilijke jeugd en andere autobiografische elementen in het werk van de schrijver.

Later zal hij uit je leven verdwijnen,

uit het tastende, snuivende, snuffelende bestaan

van irritatie en verwarring, maar met de schitterende

herinnering aan je handen, waarvan hij nooit genas.

Het zijn de slotzinnen van het gedicht Blind, dat het sluitstuk van de dichtbundel De berg van de dag vormt. Het was de enige dichtbundel die Paul Brondeel ooit zou publiceren. Toch had Brondeel toen al een succesvolle carrière als auteur achter de rug. Sinds de publicatie van zijn debuutroman, Dagboek van een nacht uit 1967, was zijn werk steeds welwillend onthaald. Nieuwe romans volgden elkaar in sneltempo op. Maar eind jaren 1980, begin jaren 1990 leek de belangstelling voor zijn werk enigszins te tanen. In 1994 verscheen nog wel de verhalenbundel De brief van Francesca, in 1995 gevolgd door de bijna onopgemerkt gebleven novelle Gipsy, maar daarna werd het volledig stil rond de auteur. Bijna tien jaar later, in 2004, verscheen bij uitgeverij De Beuk, dat gespecialiseerd is in werk dat vanwege de speciale aard of de beperkte omvang moeilijk door commerciële uitgeverijen kan worden gepubliceerd, de dichtbundel De berg van de dag. Het zou Brondeels laatste publicatie worden.

Toen Gierik & NVT in 2007 besloot een essay aan ‘zwijgende auteurs’ te wijden, nam de redactie ook contact op met Paul Brondeel. In een brief aan Auwera en Commerman vertelde hij hen over het waarom van zijn jarenlange zwijgen:

Ik denk dat ik behoor tot die zwijgende schrijvers, omdat ik met mijn probeersels de laatste tien jaar nergens meer terecht kan. Ter illustratie. Enkele jaren geleden stuur ik een verhalenbundel naar een bekende Vlaamse uitgeverij die me enthousiast meedeelt dat mijn bundel erg goed is, in elke geval beter dan de teksten die zij gewoonlijk ontvangt. Maar de uitgeverij overweegt geen uitgave van de bundel, omdat er geen lezers meer zijn van verhalen en de boekhandels geen bestellingen meer doen. De uitgeverij vraagt een roman. Ik stuur een roman, maar bijna per kerende post, krijg ik het bericht dat mijn roman slecht is, onleesbaar en zeker niet in aanmerking komt voor publicatie. Ik stuur nadien de roman en de verhalenbundel naar Nederlandse uitgeverijen in Amsterdam. Na ongeveer 6 maanden en diverse telefoontjes krijg ik het summiere bericht dat ze niet geïnteresseerd zijn in mijn proza. Ik stuur mijn bundel weer naar een Vlaamse uitgeverij die me ook na maanden meedeelt dat ze ook geen verhalen of novellen meer publiceert. Ik zal het maar geloven.

In diezelfde brief geeft Brondeel te kennen dat hij wel nog gedichten schrijft, en daar helemaal in opgaat. Hij beschouwt zichzelf als een ‘lispelende schrijver’, “want poëzie is toch, meen ik, stilte of hooguit zacht spreken of fluisteren.” Hij schrijft dat het feit dat hij als romanschrijver niet meer aan de bak komt, wel op zijn gemoed werkt, maar dat hij hiervoor ruimschoots compensatie vindt in het schrijven van poëzie.

Maar eigenlijk was de schrijver Paul Brondeel bij leven al morsdood. Ooit was het anders: zijn debuutroman Dagboek van een nacht werd bekroond met de Prijs voor de roman van de Provincie West-Vlaanderen in 1966, enkele van zijn verhalen en novellen die in diverse literaire tijdschriften werden gepubliceerd leverden hem verschillende prijzen op.

Autobiografisch

Het werk van Paul Brondeel is in hoge mate autobiografisch. Pas in zijn latere werk zou hij meer afstand nemen van het louter autobiografische. Literatuur diende voor Brondeel in de eerste plaats om dingen van zich af te schrijven, zijn werk lag geheel in de lijn van het ‘therapeutisch schrijven’ dat in de  jaren 1960 en 1970 een vaak aangewende manier was om het persoonlijk ongenoegen te ventileren. Vooral zijn romans Dagboek van een nacht en Nachttrein in september zijn het verslag van een in het begin reeds gefnuikt, door kleine en grote drama’s getekend leven.

Paul Brondeel heeft zeker geen gemakkelijke jeugd gehad. Hij werd geboren in Lede op 20 juni 1927, als zoon van Theophiel Brondeel en Arsène Van Acker. In 1938 zou het gezin naar Aalst verhuizen, waar Brondeels ouders een zuivelhandel uitbaatten. Hij had een vier jaar oudere zus, Suzanne, met wie hij pas veel later een band zou opbouwen. Suzanne bracht een groot deel van haar jeugd op internaat door en had geen kijk op de spanningen die het gezin Brondeel thuis teisterden. Enkele jaren na zijn huwelijk, was Theophiel Brondeel naar alcohol gaan grijpen, een verslaving die volledig uit de hand liep. Geregeld was Paul ervan getuige hoe zijn vader in dronken toestand het meubilair sloopte of alle eieren uit hun winkel stuk gooide. Vaak trok zijn vader naar Noord-Frankrijk, waar hij als seizoenarbeider aan bietencampagnes meewerkte. Maar het in Noord-Frankrijk zuurverdiende geld ging, eens terug in België, helemaal op aan zijn drankverslaving. Na talloze gewelddadige ruzies hakte Pauls moeder eindelijk de knoop door en besloot zij, uitzonderlijk voor die tijd, van haar man te scheiden.

Maar ook Brondeels moeder gaat niet vrijuit: omdat zij het geld van Pauls studiebeurs, uitgekeerd door het Fonds voor de Meestbegaafden, incasseerde en aan het huishouden spendeerde, zag Paul zich genoodzaakt om de cursussen voor school tijdens de vakanties met de hand over te schrijven. De wiskundecursus waaruit Paul zijn examen voorbereidde ging letterlijk in vlammen op toen zijn moeder het papier gebruikte om de kachel aan te maken. Uiteindelijk werd besloten dat Paul zijn humaniora voortijdig zou afbreken. Vanuit Aalst verhuisde hij met zijn moeder en zus naar Gentbrugge, waarna het drietal in Brugge ging wonen: eerst in de Moerstraat, daarna in de Ezelstraat. Dat nomadenbestaan, het continue verhuizen, zou ook in Paul Brondeels volwassen leven een constante zijn. Uiteindelijk kreeg Paul een baantje bij de Belgische telefoonmaatschappij RTT, waarbij hij dagelijks naar Brussel moest pendelen. Het zat hem behoorlijk dwars dat hij zijn studie vroegtijdig had moeten stopzetten:

Het is niet uitgesloten dat mijn ambitie om te schrijven deels teruggaat op deze frustratie die ik toen ondergaan heb. Misschien wilde ik op een of andere manier revanche nemen, een vorm van zelfbevestiging creëren. Ik heb geschreven, denk ik, om niet helemaal ten onder [te] gaan.

In zijn debuutroman Dagboek van een nacht rekent Brondeel af met zijn miserabele jeugdjaren, waarbij vooral zijn vader het moet ontgelden. Het hoofdpersonage, David Arens, voelt zich ‘erfelijk belast’ met de zonden van zijn vader. Hij omschrijft zichzelf als ‘een getekende’, hij is ‘de zoon van Theofiel Arens, de zatlap, de hoerenjager’. Feit is, dat nadat Pauls moeder haar echtgenoot had verlaten en de kinderen in haar kielzog met zich meenam, het definitief uit was met Theophiel Brondeel. Zijn alcoholverslaving bereikte zijn hoogtepunt en hij zakte steeds dieper en dieper weg in de marginaliteit. Hij werd een randfiguur, en bracht de laatste jaren van zijn leven door in een bouwvallige woning. Uiteindelijk overleed vader Brondeel op 53-jarige leeftijd aan levercirrose. Paul zou zich altijd schuldig blijven voelen over de vroegtijdige dood van zijn vader. Het feit door vrouw en kinderen verlaten te zijn, heeft zijn verslaving en onmogelijke karakter enkel nog meer in de hand gewerkt. In Dagboek van een nacht mijmert David:

Misschien is dit de straf. Hij heeft altijd geloofd dat hij op een of andere wijze zou gestraft worden, om de fouten begaan in zijn jeugd, om zijn gebrek aan liefde, zijn hard oordeel, omdat hij ongelovig geworden is, omdat hij zijn vader en moeder niet eerde, niet wilde eren, om zijn zonden van begeerte, vroeger op het kleine kamertje in de Gentstraat, om zijn haat, zijn schijnheiligheid, zijn lafheid. Dat op een dag de chaos komen zou, dat hij op een verschrikkelijke manier zijn einde zal bereiken. 1

Vader is niet meer ‘vader’, maar ‘de ander’. David fantaseert hoe hij slaags geraakt met zijn vader, hoe hij zijn vader met het strijkijzer in het gezicht slaat: “We moeten vechtend over de vloer rollen. Dan sla ik hem het hoofd in, met het strijkijzer of met een ander zwaar voorwerp, het kacheldeksel of de hamer. Het heeft lang genoeg geduurd, er moet een eind aan komen.” 2

David beraamt een plan: hij zal de regenput niet afsluiten, zodat zijn vader, wanneer die ’s nachts stomdronken, over het muurtje wil klimmen om het huis binnen te raken, in de waterput zal vallen en verdrinken.

Schrijven was voor Paul Brondeel vooral een manier om met zijn angsten en zijn verleden af te rekenen. Hoewel literatuur voor hem een manier was om alles van zich af te schrijven, kon Brondeel nooit in het reine komen met zichzelf en, bij uitbreiding, met het gehele mensdom. Woorden? “Vlaggen die de lading niet dekken.” 3

In later werk zou de focus enigszins gaan verschuiven: Brondeel zou niet enkel zichzelf, maar de volledige mensheid aan bijzonder uitbundige scheldtirades onderwerpen. De personages die het werk van Paul Brondeel bevolken, zijn stuk voor stuk verweesde, teleurgestelde figuren, die vaak aan de kant van de maatschappij leven. Het zijn veelal “kleurloze mensen”, “ze staan een beetje beduusd, een beetje beschaamd”.

Ze hebben afwezige gezichten en harde, gesloten monden. Er zijn geen stemmen, er zijn geen woorden. Er is niets dan het razend ritme van een woordloze, mechanische wereld, zonder ziel en zonder zon4

Brondeels personages zijn paria’s, innerlijk getekend en verwond, die gedesillusioneerd, de maatschappij de rug toe keren. Het zijn vaak randfiguren die zich verstikt voelen door de druk die hen door de maatschappij wordt opgelegd: een diploma behalen, een rotbaantje vinden, huwen en kinderen krijgen. En waartoe? Ziek worden, bedlegerig worden, eenzaam worden, sterven. Het merendeel van Brondeels personages zijn lichamelijk getekend: in De handen verliest hoofdpersonage Armand Nielens zijn handen na een werkongeval, in Het andere leven wordt het gehandicapt zoontje van hoofdpersonage Johan omschreven als “een klomp vlees, een hoop beenderen, vel, haar, voeten, handen, maar onbezield, bijna levenloos, meelijwekkend”. Johan zelf is onaantrekkelijk, wat hem de bijnaam ‘de worm’ oplevert; Josiane uit Ik, blanke kaffer krijgt met enkele miskramen af te rekenen, oorzaak van blijvende onvruchtbaarheid en spanningen in haar huwelijk met haar echtgenoot Adriaan. Ook die lichamelijke tekortkomingen zijn terug te brengen op Brondeels eigen leven: toen hij dertien was viel hij van een glijbaan af, waarbij hij met zijn gezicht tegen een muur aan sloeg. Zijn voorhoofd werd ontsierd door twee aangroeiingen en zijn neus raakte misvormd. De jonge Brondeel zou deze letsels als een handicap ervaren en zonderde zich van de anderen af: hij had weinig vrienden en wat meisjes betreft was hij erg wantrouwig. Toen hij, jaren later, voor zijn job met de trein naar zijn werk pendelde, verborg hij zijn gezicht altijd achter een opengeslagen krant.

Slechts af en toe is er, heel kortstondig, hoop op beterschap:

Niet nadenken (…), want morgen allicht zal de zon weer schijnen over het land, morgen ga je naar het park, morgen zul je netjes gewassen zijn en brillantine op je haar strijken en je mooi maken en naar de meisjes glimlachen, je zult je weer pas negentien jaar jong voelen en negentien jaar sterk en je zult zeggen dat het leven heerlijk is. Morgen zul je weer geloven in een beter leven, in de betere mens uit de boekjes, in de onbaatzuchtige, de verliefde, de gezegende schone mensheid. 5

In eerste instantie betekent liefde en erotiek nog wel een vlucht uit de grauwe, mensonterende realiteit, maar al snel komt ook aan die illusie een eind:

Een meisje dat Eva heet of Hilde of Annie of Betty. Een droomkind waar je altijd naar kijken moet. Je kan je ogen niet afwenden. (…) Voor dat droomkind wil jij de wereld veroveren en de ruimte, je wilt een held zijn, een Bond, een dichter, een Hitler, een Picasso, een minnestreel, je wilt haar alles geven, alles wat je bezit en zal bezitten, een huis bij de zee, een kasteel op de rotsen (…), en je handen glijden bevend over haar wangen, langs haar hand en haar borst (…) en daar is het hart dat bonst en bonst en heerlijk luid voor je bonst en je handen glijden langs haar lenden en ze legt haar handen op jouw handen en je kijkt weer glimlachend naar haar donkere, wat weemoedige ogen, naar haar mond en haar glinsterende tanden en je neemt haar handen vast en je brengt ze aan je lippen… die kleine witte handjes met de dunne nagels neem je in je zwarte, vuile handen van plaatwerker bij Delafagne-Antic en plots laat je de handjes los en je beeft opeens en je kijkt star naar je domme, dikke boerenknuisten en je draait je knuisten om en om en je begint te lachen, je kan niet ophouden, je giert het uit en de tranen lopen je uit de ogen, omdat je je smerige knuisten ziet en je denkt aan je vader die ook zulke grove handen had, vol vuil en zweren, en je spuwt op je handen en je spuwt om je heen, naar alles, naar de van vet druipende machines, naar de roestige haken en kettingen en naar de vochtige muren en de pikdonkere nacht buiten, en je lacht en je huilt om de dwaze illusie die je, gek, weer eens in je hart liet sluipen. 6

Volgende week in aflevering 2: De succesvolle Congo-romans  van Paul Brondeel.

  1.  Paul Brondeel, Dagboek van een nacht, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1967
  2.  Idem, p.54
  3.  Paul Brondeel, De handen, Manteau, Brussel, 1968, p.8
  4.  Idem, p.7
  5.  Idem, p.11-­12
  6.  Idem, p.14-­15