‘Het verleden is nooit af’

()
interview door in

Het poëziedebuut Ben jij liefde (Uitgeverij Vrijdag) van Mustafa Kör (40) is er een dat je slechts eenmaal in een dichtersleven kunt schrijven.

Als in een raamvertelling – een poëziebundel binnen een levensverhaal – lees je over zijn prille begin als spelend kind en over het abrupte einde van een zorgeloos bestaan na zijn ongeval in 1998. Halsoverkop, letterlijk, werd hij toen uit de wagen geslingerd nadat hij achter het stuur in slaap viel. De rugbreuk was onherstelbaar maar in de tijd die volgde, ontdekte hij zijn liefde voor taal en literatuur. In 2007 debuteerde hij met de roman De lammeren (Van Gennep), nu doet hij dat ook als dichter.

Er is een leven vóór je ongeval en een leven erna. In de bundel lijk je heimwee te hebben naar je oude ik: het verleden beschrijf je zacht, het heden is hard.
“Ik heb geen heimwee. Enkel als ik mijn zoontje zie spelen in de tuin en ik wil opstaan om naar hem toe te gaan, vloek ik op mijn lamme benen. Maar integendeel: vooral de eerste vijf jaar na mijn ongeval had ik het gevoel dat mijn leven pas begon. Voordien werkte ik sinds mijn zestiende in de kebabzaak van mijn broer, eenmaal in de rolstoel ben ik beginnen feesten. Mijn moeder zuchtte vaak: ‘Toen je nog benen had, wist ik waar je rondliep. Maar nu je verlamd bent, weet ik niet waar je zit’. Mijn moeder kon de dingen altijd mooi verwoorden.”

Je ouders migreerden van Turkije naar België toen je drie jaar oud was. Ondertussen zijn ze overleden. Hoe keken ze op het einde van hun leven terug op die beslissing?
“Dat was dubbel. Ze hadden het hier beter maar hun ene zoon pleegde zelfmoord en de andere – ik – belandde in een rolstoel. Mijn moeder heeft vaak gevloekt op mijn vader: ‘Moesten we zo nodig naar Europa? Zie wat voor onheil het ons heeft gebracht.’ Ik dicht ook over hen in Ben jij liefde. In het openingsgedicht ‘Idylle’, waarin ik de uitgewekene word genoemd ‘omdat mijn ouwe weigerde de karmijnrode aarde / nog te beminnen / die toerist, moest en zou honing en melk proeven’. En in datzelfde gedicht over mijn moeder: ‘Als zaaisel over akkers van pachtboeren / heb ik mijn kinderen gestrooid’.”

Was je het met je moeder eens, dat jullie beter in Turkije waren gebleven?
“Soms. Ik heb de eerste drie jaren van mijn leven in Turkije doorgebracht en nadien nog enkele jaren als tiener. Er hangt een bijzondere sfeer: mensen die bezig zijn met overleven in plaats van leven. Als kind is het een Robinson Crusoe-verhaal met naakte ritten op ezelsruggen en wolven die rond de dorpen slopen. Als dichter vandaag is het een dankbare brok weemoed. De taal wordt dan een instrument om de verloren tijd te doen heropleven.”

Wat betekenen tijd en taal voor jou?
‘Tijd is weinig beslissend. Niet de tijd verandert je, maar de woorden die je vindt om vreugde en verdriet te beschrijven. Taal is dan de mogelijkheid om te benoemen. En benoemen is een manier om te helen.”

Maakt dat van ‘Ben jij liefde’ een afrekening met je jeugd, of veeleer een manier om af te ronden?
“Het verleden is nooit af. Tenslotte moet je een leven lang met je herinneringen verder. Je eerste vrijpartij, de eerste pak rammel. Het heden beleef je vaak nog met terugwerkende kracht. Maar ik vind dat niet erg: in het verleden zijn we altijd gelukkiger. Op je negende leken de dagen niet te eindigen en was je blij gewoon omdat je wakker werd. Vandaag moet je zoeken om nog ergens een halfuur tussen te krijgen en lig je ’s ochtends in je bed te zuchten om wat er overdag allemaal op het programma staat.”

Ben je vandaag gelukkig?
“Ja, maar niet té gelukkig. Er moet altijd groeipotentieel zijn.”

De bundel is stijlvast en ontwikkelt zich als een verhaal binnen een leven, van een driejarige tot tweeëntwintigjarige. Hoe lang heb je eraan gewerkt?
“Een jaar. Ik had voordien weinig ervaring met poëzie. In 2008 ben ik stadsdichter van Genk geweest maar verder zat er geen traditie of kennis klaar. Ik hou dus ook geen rekening met metrum of stijl, enkel flow en muzikaliteit vind ik belangrijk: hoe alles klinkt in mijn hoofd wanneer ik de gedichten herlees. En buikgevoel.”

Je vrouw, professioneel flamencodanser, zei ooit in een interview: ‘Om je verhaal zo goed mogelijk te vertellen, moet je studeren.’ Je hebt geen lager of middelbaar diploma: heb je moeten studeren om tot zo’n rijke taal te komen als in ‘Ben jij liefde’?
“Je hoeft niet te studeren, als je maar veel leest. Dan stoot je op woorden zoals ‘gubbelen’. Mijn redacteur wilde het eruit omdat de Nederlanders het niet zouden begrijpen. No fucking way. ‘Het gubbelde kikkers in het ven’: je voelt toch wat het betekent?”

Taal is honing voor mij: eenmaal ik proef, wil ik meer

‘Taal is honing voor mij: eenmaal ik proef, wil ik meer. En een goed woord werkt op mij als een rode lap op een stier: ik wil het begrijpen en ben daarin moeilijk te stoppen. Ik kocht jarenlang minstens drie boeken per dag. Met mijn vrouw heb ik het compromis gesloten dat elke keer ik een boek koop, er een ander buiten moet.”

Sluit je soms ook in de taal compromissen, desondanks?
“Jammer genoeg wel. Ik moet voortdurend vechten tegen de neiging om te pleasen. Als ik bijvoorbeeld in Nederland ben, begin ik onvermijdelijk met een Hollands accent te spreken. Ik haat mezelf daarom. Ook in mijn poëzie en proza wil ik mensen tegemoetkomen door op een verrassende manier toch toegankelijk te zijn. Want natuurlijk hoop je dat je bundel door anderen als een godenkind wordt ontvangen. De gedachte “Ik kan schrijven, heb mij lief” is af en toe in mij opgekomen.”

Welke schrijver beschouw jij als een godenkind?
“Jean-Marie Berckmans, die in 2008 overleed. Hij was een misverstane oerkracht. Ik herken in hem ook de worsteling om niemands meester en niemands knecht te willen zijn maar tegelijk ook tegemoet te willen komen aan het donkere kantje in jezelf. Hij is er het mooiste bewijs van dat je als dichter geboren kunt worden zonder ooit veel op papier te zetten. Je kunt dichter zijn door de manier waarop je een appel schilt. Het komt uit de ballen.”

Kun je als dichter geboren worden als je pas op je veertigste debuteert?
“Ik geloof echt dat er altijd al een dichter in mij heeft gezeten. Zelfs toen ik in de kebabzaak van mijn broer werkte. Maar soms moet je de bodem raken – zoals ik met mijn rolstoel – om je ware talent te vinden. En dan is het aan jou om er iets mee te doen. Dus vandaar: Ben jij liefde.”

 

Idylle

Dat dorp waar ik begraven hoor te worden
heeft klaterende fonteinen waar reizigers zich laven
en Sivas herders de wacht houden over kuddes angora

Er leven mensen ouder dan bomen
hun gezichten als lappendekens verpopt
tot krijgers van weleer gestaag kauwend
aan het leven dat taai was en van zich af beet

Kinderen aten er zwarte moerbeien en lachten
met slome Abidin die filterloze Bafra rookte en mank liep
omdat hij voortijdig uit zijn moeder was geroetsjt
hij zong uit volle borst mee met onze liederen

het regent het stormt
Tataarse meisjes kijken uit ramen
of hun soldaat al komt

Eindeloze dagen en spelen met keien, stokken en bikkels
tot slagschaduwen ons niet langer wilden achtervolgen
en onze moeders riepen: “Mustafa!
Dat uw buit te zwaar moge wegen onverlaat
haast u naar de bron”

En wij maar balorig en prachtig gedresseerd
gehoorzamen aan de sultane’s waterwens

Mijn infantiele schouders hebben een Eufraat in terracotta getorst
de kleur van het verzonkene en mijn meisje
Circassische nomadendochter die geen armband droeg
maar rank krulde als druivelaars
tondel van mijn vuur
Ik hield van haar als het zog van mijn moeder

Gehuil van wolven en muezzins echode in dat tranendal
waar ik de mores leerde in opa’s appelgaard
Ik vond er het evenwicht om in bewaring achter te laten
op een wilde schimmelrug

Dat geruis van populieren, geuren van kweeperen en mispels,
de noeste arbeid, gekartelde bergen, het gezang van zigeuners,
geulen, de sneeuw, korenvelden, de delta’s van geofferd bloed
in de aarde, windhozen, wijngaarden, aardedonkere nachten,
gesluierde maagden, ooievaars op minaretten, ouden van dagen
in harembroek, het weefsels van sterren, het gebalk, geblaf,
gekraai, geloei, tot hier in mijn vervreemde, verdomde kop

Een grote groet vanachter Brabantse velden
aan mijn vrienden, mijn lief en vooral u meester Fahri Bey
om de aangekondigde tik die me wijzer maakte
dan ik toen kon bevroeden, ik was vreemd en ad rem
dat moest je kort houden opdat ik fier als de vlag
waar we trouw aan zworen, worden zou

Selam dus, van mij: Kör, nr. 67, klas 2A
kleinzoon van Osman de blinde
ook wel gekend als de uitgewekene

omdat mijn ouwe weigerde de karmijnrode aarde
nog te beminnen
die toerist, moest en zou honing en melk proeven

Als zaaisel over akkers van pachtboeren
heb ik mijn kinderen gestrooid
geselde moeder zich tot aan het Zwarte Woud
op haar Duitse sterfbed

Ik heb in ze gewoeld
dat barre land van mijn voorvaderen
tot mijn palmen gonsden

Mijn hart barstte open als granaatappels
toen ik mijn broer de zelfdoder toevertrouwde
aan grond die niet langer de mijne was

Uit: Mustafa Kör, Ben jij liefde (Uitgeverij Vrijdag, 2016), p. 9


Categorie: