‘Ik ambieer de eeuwigheid niet’


interview door

‘Ondier’ van Sven Vitse bevat drie ontwrichtende kortverhalen met anonieme hoofdpersonages en een wereld die in brand staat. “Het persoonlijke is politiek,” zegt de auteur in een schrijfgesprek met Indruk.

U schuwt de maatschappijkritiek niet. Dat valt meteen op. U doet het subtiel, zoals in het eerste verhaal, in kleine tussenzinnetjes, u doet het openlijker in het tweede verhaal, dat onder meer nadenkt over wat porno doet met de relatie tot de andere en waarin ook Marx en Bakoenin ter sprake komen. Vanwaar de keuze om zo ‘geëngageerd’ te schrijven? Veel schrijvers, en zeker debutanten, gruwelen van het idee alleen al. Waarom u niet? Maar bestaat het gevaar daardoor niet dat uw verhalen hun ‘eeuwigheidswaarde’ zo verliezen? En vindt u het erg als ik zeg dat ik die analyses soms te expliciet vond voor een roman en eerder passend voor een essay, bijvoorbeeld wat de gesprekken tussen de anarchisten betreffen?

De centrale gedachte in mijn visie op literatuur is dat het persoonlijke politiek is. (Een feministische variant van die gedachte wordt in ‘Meermin’ door een personage uitgesproken.) Ik ben ervan overtuigd dat maatschappelijke mechanismen en sociaaleconomische ontwikkelingen zich in de ervaringen en de psychologie van het individu manifesteren. Het persoonlijke laat zich, omgekeerd, enkel in relatie tot het maatschappelijke begrijpen. Het is mijn engagement als schrijver om die verwevenheid van het persoonlijke en het politieke te tonen. In ‘Meermin’ en ‘Niet meer’ leg ik de personages inderdaad af en toe expliciete cultuurkritische analyses in de mond. Enerzijds doe ik dat om de personages aan de hand van hun manier van spreken en denken te karakteriseren (bijvoorbeeld een personage dat een hang naar BDSM in abstracte, marxistische termen legitimeert). Anderzijds geven deze uitspraken een mogelijke analyse van de hedendaagse samenleving en een mogelijke context waarin de verhalen geplaatst kunnen worden. Over verlies aan ‘eeuwigheidswaarde’ maak ik me geen zorgen, in de eerste plaats omdat ik de eeuwigheid niet ambieer, maar principiëler omdat ik geloof dat de maatschappijkritische analyse voldoende abstract is om ook in de toekomst nog begrijpelijk te zijn, in elk geval zolang de maatschappelijke tendensen die ik signaleer voortduren.

U refereert meermaals aan de huidige samenleving –aan Occupy, aan de economische crisis in Griekenland, aan Philippe Gilbert– en toch blijft u soms ook heel vaag in het boek. Zo expliciteert u nooit dat één van uw verhalen zich afspeelt in Brussel, wel in ‘de hoofdstad’. U refereert aan een gestorven schrijver, Luc De Vos van Gorki, zonder die bij naam te noemen. Dat geeft een vreemde spanning, een bizarre leeservaring. Vanwaar die keuze? Waarom niet consequent zijn op dat vlak?

Occupy en de Griekse crisis zijn historische verschijnselen die de hedendaagse samenleving typeren en die voor mij heel duidelijk het politieke aanduiden waarin ik het persoonlijke wil situeren. Occupy signaleert voor mij de problematische mix in het hedendaagse antikapitalisme van enerzijds oprechte en onderbouwde verontwaardiging en anderzijds het desperate verlangen van de academisch-linkse middenklasse. De herhaalde verwijzing naar Griekenland verraadt mijn persoonlijke verontwaardiging en hangt samen met de toenemende Euro-scepsis aan de politieke linkerzijde. Kortom, die expliciete referenties horen bij mijn visie op literatuur, die ik hierboven heb toegelicht. De dood van Luc De Vos, hoe tragisch ook, is niet van dezelfde orde als Occupy en de Griekse crisis. Als nieuwsitem heeft het geen historisch belang. Mij gaat het in die passage louter om het woordspel. Om de bron van dit woordspel aan te geven, maar ik de referentie herkenbaar voor de lezer die Luc de Vos kent, maar voor het verhaal doet het er eigenlijk niet toe over welk sterfgeval het gaat. Mocht de herkenbaarheid van de referentie verloren gaan, dan verandert dat niets wezenlijks aan de betekenis van het verhaal. De verwijzing expliciteren zou een irrelevante vorm van concreetheid creëren. Iets soortgelijks geldt voor de verwijzingen naar Brussel, die zowel in ‘Meermin’ als in ‘Niet meer’ verwerkt zijn (de verhaalruimte van ‘Meermin’, bijvoorbeeld, is in detail gebaseerd op een wijk in Sint-Gillis). Mij gaat het niet om de herkenbaarheid van de stad (couleur locale), maar om de sociale en historische ontwikkelingen die een stad als Brussel belichaamt, bijvoorbeeld in de architectuur en de levensstijl. De concreetheid die ik nastreef in de verhalen is die van de taal en de persoonlijke ervaring, niet die van de setting en de journalistieke actualiteit. Hoe abstracter die laatste blijven, hoe meer die eerste naar voren komen – dat is althans de bedoeling. De expliciete verwijzing naar Kopenhagen in ‘Meermin’ is voor mij dan weer wel van belang, omdat die locatie een thematische rol speelt (het ambigue verlangen naar ‘het noorden’, met alle connotaties die aan die marker kleven).

Is het café dat u opvoert in ‘Niet meer’ toevallig ‘De Dolle Mol’, een anarchistisch hol in Brussel?

Nee, het spijt me. Dat anarchistisch hol is niet op een reële plaats gebaseerd.

Het laatste verhaal van de bundel, over uw stervende vader en diens ambities, is werkelijk prachtig om lezen. En ontroerend. Maar de tussenpassages waarin u Multatuli en Max Havelaar opvoert, verstoren die sympathieke elegie. Wilt u het mij vergeven dat ik die niet met de volle aandacht las, en meteen naar de fragmenten sprong over uw vader? Begrijpt u mijn leesgedrag?

Dat wil ik u zeker vergeven, al horen beide delen voor mij onlosmakelijk samen. De Multatuli-blog is een document dat verweven is met het overlijden van mijn vader en ik heb hem om die reden ongewijzigd opgenomen. Natuurlijk begrijp ik dat niet alle lezers even veel belangstelling hebben voor Max Havelaar. Bovendien heb ik de thematische verbanden tussen beide tekstdelen bewust niet geëxpliciteerd, omdat ik de interpretatie daarvan aan de lezer wil overlaten. Dat gezegd hebbende: voor mij zit de emotionele crux van de tekst in de spanning tussen beide delen, tussen de schriftuur van de blog en de biografische achtergrond, tussen de Multatuli-fascinatie en de persoonlijke situatie waarin die intens kon opbloeien.

Waarom hebben de meeste van uw personages geen naam? Dat maakt de identificatie ermee niet altijd even makkelijk als lezer. Bovendien wordt het soms heel verwarrend, zoals in het eerste verhaal ‘Meermin’, waar ik soms de draad verloor. Of behoort die verwarring net tot het beoogde effect?

De lezer verwarren is zeker niet het doel. Liever wil ik de verwarring van de personages zichtbaar en invoelbaar maken. Zowel ‘Meermin’ als ‘Niet meer’ thematiseert het gevecht van de personages met de fantasie, hun vlucht erin om zich staande te houden, maar ook het verlangen om uit de fantasie in de werkelijkheid van hun leven te treden. De ‘man’ en de ‘vrouw’ in grote delen van ‘Meermin’ zijn een hersenspinsel van de verteller, dus waarom zouden ze een naam hebben? Van de Zweden is enkel van belang dat ze Zweeds zijn. En de verteller en de aangesproken geliefde hebben geen naam omdat hun geslacht onbepaald is. Dat deze figuren gaandeweg door elkaar gaan lopen verbeeldt de vervloeiing die eigen is aan de fantasiewereld, waarin alles en iedereen in de omgeving van de verteller opgenomen wordt. De naamloosheid van de vrouwelijke personages in ‘Niet meer’ heeft een soortgelijke functie: in de fantasie van de verteller schuiven ze in en over elkaar en dus vervloeien ze in de tekst ook. In beide verhalen verdwijnen die spinsels aan het einde uit het beeld en treden de personages die overblijven nadrukkelijk op de voorgrond.

U publiceerde bij Het Balanseer, een uitgeverij die durft experimenteren met vorm en inhoud maar nog te weinig bekendheid geniet. Hoe verliep die samenwerking? En wat is de sterkte van Het Balanseer? Had u Ondier ergens anders kunnen uitbrengen?

De samenwerking met het balanseer was en is ontzettend prettig. Ik gaf eerder bij het balanseer mijn essaybundel Tekstbestanden uit en dit literaire debuut kwam dan ook vrij vanzelfsprekend bij dezelfde uitgever terecht. Ik voel bij deze uitgever een oprechte liefde voor literatuur, een enorm engagement om het literaire veld te verrijken met bijzondere teksten, en een persoonlijke belangstelling voor wat ik schrijf. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat mijn teksten in het fonds en de ethiek van het balanseer een natuurlijke thuis vinden. Of ik het boek bij een andere uitgever in dezelfde vorm had kunnen publiceren weet ik niet, aangezien ik het aan geen enkele andere uitgever heb aangeboden.