‘Ja, mijn Nederlands is niet perfect, en dan?’


interview door

Publicist Dyab Abou Jahjah schrijft voor De Bezige Bij een boek over radicalisme. In het Engels, niet in het Nederlands. “Mensen zullen mijn werk kapot willen maken. Kom maar op. Wie mij wil pakken, zal van goeden huize moet zijn.”

 

“Hoe degoutanter, hoe beter blijkbaar.” Dyab Abou Jahjah kijkt nog steeds met een mengeling van verwondering en ongeloof terug naar de hetze met schrijver Leon de Winter. Die laatste noemde De Bezige Bij ‘zot’ omdat het fonds de controversiële publicist met Libanese roots wil publiceren –Abou Jahjah werkt aan een boek met de werktitel Pleidooi voor radicalisering. De aanval van de Winter leidde tot een heus schouwspel, met een crisisvergadering tussen auteurs en management als cumulatiepunt. Op die vergadering, begin mei, werden de plooien weliswaar gladgestreken, maar uit onvrede met die gang van zaken beslisten auteurs als Tommy Wieringa en Jessica Durlacher (de vrouw van Leon de Winter, red.) om over te stappen naar Hollands Diep, een nieuwe literaire uitgeverij.

Waar u gaat en staat: u genereert altijd aandacht en polemiek. Had u de rel verwacht?

“Eerlijk waar: neen. Of toch niet op die schaal, met die intensiteit. Ik besef dat ik polariseer. En wanneer mensen niet meer reageren op wat ik zeg, weet ik: ik ben niet langer relevant. Alleen, nu ging het heel persoonlijk en de aanval kwam deze keer niet van politici als Bart De Wever of Annick De Ridder, beiden N-VA en beiden fervent tegenstander, maar van schrijvers. Het niveau was bovendien bedenkelijk, de stijl vilein. Wat me choqueerde. Hoe degoutanter, hoe beter, blijkbaar.”

U was gechoqueerd? U lijkt anders niet het type dat snel uit het lood te slagen is.

“Op een bepaald moment werd ik vergeleken met een paling in een emmer snot. Komaan, hoe kinderachtig. Dat brengt me niet uit balans –en gechoqueerd is misschien te sterk uitgedrukt. Maar ik vind het wel vreemd dat een krant zoiets publiceert. Ja, zet gerust de aanval in op mij, maar doe het onderbouwd, met inhoudelijke argumenten. Ikzelf speel nooit op de man, en ik verwacht dat respect ook van andere volwassen mensen.”

“Toch kom ik graag debatteren in Nederland, omdat Nederlanders de rechtstreekse confrontatie niet schuwen. Heel anders dan die parochiecultuur soms van Vlaanderen. In Vlaanderen ben ik niet echt een populair persoon, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Lees maar de commentaren onder artikels op krantenwebsites. Maar op straat kreeg ik nog geen enkele negatieve reactie. Als ik Vlamingen passeer die mij niet moeten, dan glimlachen ze vals, met de mond gesloten. Nederlanders komen naar me toe en trekken hun mond open. Een verademing.”

Uitgerekend die types die #jesuisCharlie scanderen, wilden mijn zogenaamde marxistische lulkoek boycotten

Maar het verbaast u wel dat schrijvers de pen in vitriool doppen. Waarom? Moeten schrijvers volgens u het goed fatsoen bewaken, terwijl politici over de schreef mogen gaan?

“Schrijvers mogen als non-conformisten alles in vraag stellen –hoe meer hoe liever. Maar vreemd genoeg kwam de kogel van mensen die zichzelf altijd geprofileerd hebben als de kampioenen van het vrije woord. Auteurs die in het verleden met het vingertje wezen naar iedereen die censuur promootte. En uitgerekend die types die #jesuisCharlie scanderen, wilden mij en mijn zogenaamde marxistische lulkoek boycotten. Want daar kwam het uiteindelijk op neer.”

Ook bizar: het verzet tegen uw komst kwam uit rechtse hoek, en beriep zich op het verzetsverleden van De Bezige Bij, terwijl het fonds ontstond in tijden van extreemrechtse overheersing.

“Inderdaad. Maar vergeet niet: Leon de winter denkt vanuit een strikt identitair joods kader, wat hem naar eigen zeggen het recht geeft om zich boven alles en iedereen te verheffen. Vanuit die religieus-culturele achtergrond claimt hij het zeggenschap over het verzet en bepaalt hij wie goed en wie fout is. Maar ik ken nakomelingen van het verzet –letterlijk: kinderen van verzetsstrijders, maar ook ideologische aanhangers– die eerder mijn positie verdedigen dan Leon de Winter napraten, een rechtse conservatief die voor het status quo pleit.”

Anderen namen het voor u op, zoals Ilja Leonard Pfeijffer. Deed dat u iets?

“Absoluut. Die zijn column heb ik enorm gewaardeerd. Omdat het over de kern van de zaak ging en hij mij niet verdedigde omdat ik een brulboei ben die zomaar alles principieel mag zeggen. Met dat soort steun koop ik nog geen brood. Ik kende de man trouwens niet, wat zijn opinie alleen maar sterker maakte. Maar ik ga nu zeker zijn boeken lezen. Ik ben benieuwd.”

Had u ooit het gevoel tijdens de hetze: De Bezige Bij laat me vallen?

“Neen. Op geen enkel moment. Ik kreeg die signalen ook niet van de top. Ik zei ook altijd: even goede vrienden als jullie liever het contract willen opzeggen. Dat begreep ik wel.”

“Voor alle duidelijkheid: ik klopte zelf nooit aan bij De Bezige Bij, maar zij bij mij. En hoewel ook andere uitgevers mij willen publiceren, hoor ik wel degelijk bij De Bezige Bij thuis, net omdat het fonds ontstond in dat verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook ik ageer tegen de verdrukker en de bezetter. Bijvoorbeeld wat Palestina betreft. Ik ben pro-verzet, in alle mogelijke contexten, in alle mogelijke tijdsgewrichten.”

Raakt u die polemiek nooit beu?

“Ah, eigenlijk ging het in die discussie ook helemaal niet over mij, maar over welke maatschappelijke koers De Bezige Bij in de toekomst wil varen. Het schetst de contouren van een nieuwe wind. De keuze van het fonds om mij binnen te halen, is een uitdrukking van een veranderend tijdsgewricht, met aandacht voor diversiteit. Hetzelfde trouwens bij De Standaard, waarvoor ik wekelijks een column schrijf. De redactie beseft dat de wereld wijzigt en betreedt daarom nieuw terreinen, wil de mainstream uitbreiden, al kan niet elke lezer dat even hard appreciëren, en al zeker niet van een krant met een Vlaams, katholiek verleden.”

De verwachtingen rond uw boek zijn meteen wel hooggespannen.

“Die druk voel ik wel. Mensen gaan mijn boek kritisch lezen en willen het kapotmaken. Ik aanvaard die uitdaging. ‘Kom maar op’, zeg ik tegen al mijn tegenstanders. En ga methodisch waterdicht te werk. Wie mij wil pakken, zal van goeden huize moeten zijn. Ik heb de pretentie om zelfzeker te zijn. Ik hoop dat het echte discussies uitlokt, over normen en waarden en paradigma’s.”

Ik wil de psycholoog niet uithangen, maar veel Vlamingen kunnen niet overweg met emoties

Wat vindt u eigenlijk van de aanvallen op uw taalgebruik en op uw Nederlands? Vooral op Twitter leeft een trouwe schare tegenstanders die elke fout van u meteen aangrijpen om u belachelijk te maken.

“Ik geef toe: ik spreek niet perfect Nederlands. Ja, ik maak dt-fouten. Ja, ik vergis me soms tussen ‘die’ en ‘dat’. Daarom schrijf ik mijn boek in het Engels. Ik ben mij bewust van mijn beperkingen, perfectionistisch als ik ben. Mijn universitaire studies deed ik in het Frans, mijn moedertaal is Arabisch. Maar Nederlands? Ik heb alles geleerd van de radio, de televisie en debatten, en het kan inderdaad nog beter. Mijn columns, die ik zelf in het Nederlands schrijf, worden taalkundig gecorrigeerd, maar ik merk dat het verschil tussen de eerste en de gepubliceerde versie alsmaar kleiner wordt.”

Maar dat is toch kleintjes, dat soort aanvallen?

“Zwak is het zeker. Het legt ook een fetisj bloot die in dat milieu leeft. In plaats van mij te feliciteren als nieuwkomer omdat ik moeite doe, krijg ik alleen kritiek te slikken. Ironisch ook. Sommige tweets die mij willen corrigeren, bevatten zelf taalfouten.”

“Wat me echter veel meer stoort, is de suggestie van sommigen dat ik mijn teksten helemaal niet zelf schrijf –want te hoog van niveau voor mijn doen. Verborgen racisme, dus.”

Wat anderen dan weer stoort aan u, zijn uw hevige emoties.

“Dat verwondert me niet. Ik wil de psycholoog niet uithangen, maar veel Vlamingen kunnen niet overweg met emoties. Kijk naar al die televisiedebatten, waar iedereen droge, saaie, beheerste analyses moet maken. Het tegendeel, passie en grinta, wordt verbannen, wordt als een ernstige zwakte beschouwd.”

Bij u werkt het wel averechts. Daags na de aanslagen in Zaventem en Maalbeek ging u in het duidingsprogramma ‘De Afspraak’ in debat met de Leuvense rector Rik Torfs en Jan Segers van ‘Het Laatste Nieuws’. Uw hevige tussenkomsten maakten meer vijanden dan vrienden.

“Ik geef toe: ik was toen een beetje emotioneel. Maar mag het? De hoofdstad, mijn woonplek was aangevallen, er vielen doden en gewonden, en mijn familie kon potentieel tot de slachtoffers behoren. Dat raakt me. Kijk, hoewel ik nu in Brussel woon, ben ik geen Vlaming. Ik heb een andere culturele achtergrond en een verschillend emotioneel complex. Ik ben wie ik ben. En als ik overstroom van emoties, uit ik die op mijn manier. Punt aan de lijn.”

Ik moet dringend eens Het verdriet van België lezen

Iets anders. Leest u veel Nederlandstalige boeken?

“Niet veel. Ik lees vooral Angelsaksische boeken. Tot 2013 leefde ik ook in Libanon, waardoor ik de Vlaamse productie uit het oog verloor. Ik lees trouwens overwegend non-fictie voor mijn werk. En zelfs als ik voor mijn plezier kies, dan worden het vaak historische boeken, zoals die van Tom Holland. Maar proza? Te weinig tijd voor.”

Mocht u meer Vlaamse literatuur verorberen, zou u de Vlaamse ziel dan beter vatten?

“Misschien. Literatuur gaat dieper dan een politiek statement of manifest. Op dat punt moet ik zeker nog eens Het verdriet van België van Hugo Claus lezen. Maar proefondervindelijk ken ik dit land ondertussen ook wel een beetje.”

Heeft u ooit de neiging gevoeld om zelf literatuur te schrijven?

“Ik pen af en toe poëzie neer. Op mijn blog staan bijvoorbeeld twee gedichten van mijn hand. Maar of het om degelijk en goed werk gaat? Dat durf ik niet te beweren. Die pretentie heb ik dan weer niet. Mijn vader, een docent vergelijkende literatuur en die zelfs decaan van de letterenfaculteit is geweest, heeft voor die zaken veel meer aanleg dan ik.”

“Soms bekruipt me ook de zin om kortverhalen te schrijven, zoals ik vroeger deed, vóór ik naar België kwam, vóór die ruptuur met het Arabisch kwam. Niet het gemakkelijkste genre. Maar ik moet het zeker proberen. Want literatuur bezit een sterke, natuurlijke uitdrukkingskracht. Naast rationele, maatschappelijke stukken moet ik ook die taal gebruiken om mijn punt te maken. Ik moet de potentie ervan benutten, om het ongrijpbare te grijpen en in woorden vast te leggen.”