Een kunstmatig opstaan

Ik kom in opstand, dus wij zijn ()
recensie door in

De wereld vermag liters verontwaardiging en bergen verzet, laat ons het daarover allereenst zijn. Maar het moet wel erg triestig met ons gesteld zijn, voordat Eva Rovers’ “nieuw licht op verzet” ons op dat vlak veel vooruithelpt.

Met Ik kom in opstand, dus wij zijn schreef de Nederlandse kunsthistorica een update voor Albert Camus’ L’homme révolté (1951) op maat van “de smartphonedemonstrant”. Want sociale media wijzigden de politieke dynamiek in het algemeen en die van opstand en verzet in het bijzonder. In 2011, bijvoorbeeld, doorbraken zij de “machteloosheid” van het Egyptische volk. Ze gaven een stem aan de stemlozen, omzeilden het overheidsmonopolie op informatie en mobiliseerden op een ongeziene schaal. Toch nuanceert Rovers de dwaze goednieuwsshows die hierover in “bevlogen TED-talk[s]” worden opgevoerd. Want sociale media hebben een “grote kracht”, maar ook een groot probleem: het zijn “zelfgeschapen echokamers” die de inhoudelijk-politieke verschillen in het opstandige kamp onder de mat van een ogenschijnlijke eensgezindheid vegen – waardoor ze hun kop later des te destructiever terug opsteken. Zo was de eensgezindheid die de Egyptenaren op Tahrir ten berde brachten grotendeels overroepen, of in ieder geval van korte duur.

Het is te zeggen: Twitter alléén zal de wereld niet redden. Maar toch – toch zal “[d]e volgende Martin Luther King […] ongetwijfeld een app-ontwikkelaar zijn” – op voorwaarde, tenminste, dat Luther 3.0 erin slaagt deze “grote zwakte” van sociale media te compenseren. Om onze heiland-met-smartphone-in-de-hand op weg te helpen, gaat Rovers te rade bij de hedendaagse kunst. Want kunst verrast en irriteert, sleurt mensen uit vaste denkpatronen. En werkt, per Rovers’ definitie, dus altijd “anti-ideologisch”. Dit is een goede zaak, want zo leert kunst ons terug naar elkaar te luisteren en meningsverschillen te overbruggen. Te voorkomen, kortom, dat ook het komende verzet in een moeras van interne verdeeldheid verzinkt. In die mate, natuurlijk, dat dit opstaan al niet helemaal van plan was op een Zoveelste Zuivering uit te draaien.

Ideologiekritiek ideologisch begrensd

Rovers’ eerbiedwaardige onderneming – handleiden tot verzet – wordt gesmoord in een burgerlijke metafysica. Dit is extra gênant, daar het theoretisch doorslaggevende aspect van haar argument er net uit bestaat ‘ideologieën’ te ‘bekritiseren’. Want ideologie, zo Rovers, verdraait onze reine rede en ontkracht onze individualiteit en is dus de hoeksteen van al wat stinkt. En dus is verzet steeds een vorm van ‘ideologiekritiek’: zich verzetten betekent het concretiseren van de existentiële kracht waarmee het individu Nee zegt tegen (geestelijk!) knechtschap. Hierbij noemt Rovers het “ingenieuze” van de vandaag heersende ideologie – terecht – “dat we denken dat er geen ideologie is.” Maar tegelijkertijd ‘vergeet’ ze dit kritische procedé op haar eigen denken toe te passen. Hierdoor blijft haar ‘ideologiekritiek’ steken aan de burgerlijke oppervlakte – en is ze blind voor hoe ook haar denken (zoals elk denken!) ideo-logisch is.

En wel als volgt. Rovers’ analyse wordt ondergraven door  de heilige tweestrijd (lees: valse dichotomie) tussen ‘geweldloze opstand’ (zeer goed) en ‘gewelddadige revolutie’ (het oorkussen van de duivel). Dit is, uiteraard, een puur ideologisch onderscheid. Omdat Rovers’ sociale ontologie negentiende-eeuws-liberaal individualistisch is (het is niet ons samenleven dat een individualistisch wereldbeeld-zelfbegrip voortbracht, maar ons individualisme dat tot een samenleven ‘optelt’), vertaalt dit manicheïsme zich op politiek-strategisch vlak tot een verheerlijking van de zuiverheid van het individuele Nee. Iemand die Nee zegt heeft niet gelijk omdat zij Nee zegt tegen iets wat onwaar is of zou moeten zijn, maar omdat zij Nee zegt – omdat ze haar individualiteit laat spreken, standhoudend tegen de ideologische stortvloed. Dit Nee zelf is altijd zuiver – en wordt pas hierna ver- en ontkracht door ideologische organisaties die het voor hun kar spannen.

In Rovers’ burgerlijke metafysica volgen geestelijk knechtschap en opstand zichzelf eindeloos op. De mens loopt eeuwig rondjes, in een hamsterwiel van Nee zeggen en nieuwe Ja’s opgelegd krijgen. Hierdoor kan haar analyse niet anders dan voorbijgaan aan wat bij Hegel het stille weven van de geschiedenis heet – de concrete, materiële, vaak onderhuidse en tegenstrijdige historische ontwikkeling van ons samenleven. In Egypte, bijvoorbeeld, weefden verboden partijpolitieke, vakbonds- en andere (“dogmatische”) organisaties decennialang aan de neergang van Moebarak. Vlechtwerk dat uiteraard onbesproken blijft in de liberale sprookjes over Tahrir. Sprookjes die uiteraard liever vertellen over brave burgers die dankzij Twitter eindelijk hun Nee konden uitschreeuwen, dan over pakweg de grootste staking in Afrika van de afgelopen vijftig jaar. Sprookjes die Rovers dus enkel oppervlakkig ‘bekritiseert’, structureel gezien braaf navertelt.

Ook haar beschrijving van de eensgezindheid van het revolutionaire feest ten opzichte van de politiek-inhoudelijke kater de dag nadien, laat aan kritische en theoretische wensen te over. Wat bij Rovers de “grote zwakte” van sociale media uitmaakt (de “schijnverbondenheid” die in hun “echokamers” wordt gekweekt), is in werkelijkheid een verzetsvraagstuk dat teruggaat tot Rousseau, en sindsdien uitvoerig werd behandeld door auteurs als Schmitt, Foucault, Badiou en Žižek, om maar enkele namen te noemen. Die hiervoor – alhier: mijn punt – geen van allen nood hadden aan een verwijzing naar Twitter.

Geen enkel actueel antwoord op het eeuwenoude organisatievraagstuk kan de rol en de mogelijkheden van sociale media negeren

Want het is waar dat geen enkel actueel antwoord op het eeuwenoude organisatievraagstuk de rol en mogelijkheden van sociale media kan negeren. Maar door sociale media een idealistisch bevoorrechte status toe te kennen (in de hoop het organisatievraagstuk zo te omzeilen), zetten we één stap voorwaarts, om er twee achterwaarts te zetten – en helpen we ook onze Luther 3.0 geen meter vooruit.

Het zuivere Nee van de oude Angelus Novus

Ik kom in opstand gaat dan ook niet over werkelijk bestaand verzet, maar over een voluntaristische mythologie van verzet. Waarin kunst “opstand in zijn meest zuivere vorm” is. Want kunst “laat het ‘klaarlichte denken’ ontwaken; denken dat vrij is van […] door religie of ideologie voorgeschotelde illusies.” Quod non! Maar laat ons deze ideologische, reductionistische visie op kunst hier voor wat ze is, en onszelf liever begrijpen waarom Rovers net hier haar opstandige heil zoekt.

De wereld structureel ten goede veranderen is moeilijk. Maar Nee zeggen is gemakkelijk. Een zelfopgelegde, heilige zuiverheid is een idealistische vlucht voor de vuile, profane verantwoordelijkheden die een werkelijk opstandig denken oplegt. Tegen de heilige Rovers dezer wereld komt Walter Benjamin, kort voordat hij zijn Nee aan de nazibarbarij tot een zelfmoord concretiseert (een Nee dat maar weinig existentialisten hem zouden nazeggen – integendeel), met het beeld van de Angelus Novus. Dit is de engel van de geschiedenis, wiens handen te proper zijn om de geschiedenis in handen te nemen, omdat hij ze wast in onschuld.

Rovers helpt ons niet verzetten. Rovers helpt ons onze handen wassen in onschuld. Nee zeggen kan nooit het hele antwoord zijn, want het resultaat moet er ook zijn – wil ons verzet niet ledig zijn. Maar de reikwijdte van Rovers’ verzet wordt door haar burgerlijke metafysica begrenst. Het “klaarlichte denken” dat ze probeert te bezweren, is een illusie, gespeend van concreet en kritisch inzicht, zelf een ideologisch instrument. Hierdoor strandt haar zoektocht naar actuele “mogelijkhe[den] tot verzet tegen de bestaande orde” bij de allereerste stap.

Rovers’ pleidooi voor zuiver verzet is burgerlijke zelfgenoegzaamheid in haar zuiverste vorm

De revolutie is vermoeiend en vuil en ontkent onze status van unieke sneeuwvlokjes, – laat ons onze dorst naar kritiek liever lessen op een tentoonstelling van Ai Weiwei. Rovers’ pleidooi voor zuiver verzet is burgerlijke zelfgenoegzaamheid in haar zuiverste vorm.

Ik kom in opstand, dus wij zijn
Jaar van uitgave: 2017 Categorie:
Uitgever: Ambo Anthos Bladzijden: 84 Ik kom in opstand, dus wij zijn (Eva Rovers)