Flaneren met Gainsbourg, wallebakken met Gainsbarre

Parcours Gainsbourg ()
recensie door in

Met ‘Parcours Gainsbourg’ levert producer en Gainsbourgkenner Rudolph Hecke zijn tweede boek over het monstre sacré van het Franse chanson. Hecke reconstrueert Gainsbourgs levensverhaal als een tocht langs verschillende adressen die in het leven van de zanger een belangrijke rol speelden. Dat levert een boek op vol smakelijke anekdotes, een paar smeuïge onthullingen en hier en daar een schoonheidsfoutje.

Het jaar 26 na Serge inmiddels. Twee maart, zijn sterfdag, is ten huize Leen altijd een speciaal moment. Er zijn maar weinig artiesten van wie ik de back catalogue in huis heb, en over wie ik in de tussentijd zoveel leesvoer bij elkaar heb gesprokkeld. ‘Parcours Gainsbourg’ is een welgekomen nieuwe aanwinst in dat rijtje.

De etappes in Gainsbourgs leven zijn genoegzaam bekend. Als kind van Russische migranten tenauwernood aan de Holocaust ontsnapt. Na de oorlog: enkele jaren aanmodderen als kunstschilder, daarna als barpianist. Eind jaren ’50: eerste albums zonder veel weerklank bij het grote publiek. Midden jaren ’60: dandyeske popproducer, ‘Poupée de Cire, Poupée de Son’. Internationaal schandaalsucces met ‘Je t’aime, moi non plus’. Brigitte Bardot. Jane Birkin. Geniale conceptalbums als ‘Histoire de Melody Nelson’ en ‘L’Homme à tête de chou.’ Comeback als beroepsprovocateur met de reggaeversie van de Marseillaise. Nadagen waarin de karikatuur Gainsbarre het overneemt. ‘I want to fuck her’ (over Withney Houston, in haar bijzijn.) Briefje van 500 francs in de fik. Publieke zelfdestructie door alcohol en de eeuwige sigaret. Einde.

Gainsbourgologie

Een legertje biografen heeft in de afgelopen kwarteeuw de handen vol gehad met het ontraadselen van l’étonnant Serge Gainsbourg. Nog bij leven had de mythe de mens al stevig overvleugeld, een mythe waaraan Gainsbourg zelf ook gretig timmerde door de verhalen hier en daar stevig aan te dikken. Ook zijn vele meelopers deden na zijn dood een stevige duit in het zakje. Everybody has a Serge Gainsbourg story, lijkt het wel. Geen gemakkelijke kluif voor biografen. Als Belg mogen we wel fier zijn op het feit dat een Belg tekent voor hét referentiewerk over Gainsbourgs leven. ‘Gainsbourg’ van wijlen Gilles Verlant blijft onmisbare lectuur voor de ware fan, een doorwrocht werkstuk waarin Verlant er door meticuleuze research in slaagt om feiten te puren uit de wirwar aan straffe verhalen. Verlants boek heeft de immense verdienste om Gainsbourg in de eerste plaats als artiest te duiden – bij het verschijnen van de eerste editie begin jaren ’90 dreigde het bezopen tv-fenomeen Gainsbarre de fenomenale muzikale verdienste van Gainsbourg te doen vergeten. Maar daarnaast en daarbuiten blijft er naast zo’n plechtstatige biografie heel wat ruimte vrij voor wie de petite histoire van dat waanzinnige leven wil verkennen.

Op dat terrein is Rudolph Hecke al jaren actief. Er zullen in België geen twee mensen rondlopen die met zoveel liefde én kennis van zaken schrijven over hun idool. Dat culmineerde een half decennium geleden in een eerste worp. Heckes ‘Gainsbourg’ was een poging van de auteur om Gainsbourgs leven te beschrijven aan de hand van parallellen met zijn eigen bestaan. Een oefening die maar ten dele geslaagd was, omdat de kloof tussen Heckes en Gainsbourgs universum toch wel te diep was om de toon van ‘Serge en ik’ een boek lang vol te houden.

Sinds Gainsbourgs overlijden is er amper iemand in geslaagd om een voet binnen te zetten in heiligdom.

Dan is Heckes nieuwe boek veel interessanter van opzet: Gainsbourgs leven navertellen als één lange reis langs de adressen die er een rol in speelden. Des te meer omdat Gainsbourgs adres – 5bis, Rue de Verneuil, Paris 7ième – voor de ware fan de allure van een bedevaartsoord heeft. Achter de gevel vol graffiti zou de tijd zijn blijven stilstaan sinds die tweede maart 1991, de nabestaanden zouden het interieur al die jaren onaangeroerd hebben gelaten. Zouden, want sinds Gainsbourgs overlijden is er amper iemand in geslaagd om een voet binnen te zetten in heiligdom. Hecke is het, blijkens de achterflapfoto van zijn boek, wél gelukt. Dat zegt wel iets over de vasthoudendheid waarmee hij zijn tocht langs de lieux de mémoire uit het leven van zijn idool heeft aangevat. Ook vandaag hebt je in het zevende arrondissement nog het gevoel in Serges voetsporen te lopen. Maar dat is in wezen bekende materie.

Veel interessanter is Heckes graafwerk naar de plekken waar Gainsbourg woonde en werkte voordat hij doorbrak, en de tocht langs de adressen ver buiten Parijs waar hij heen trok om even uit zijn hectische leventje te ontsnappen. Dat levert unieke gesprekken op met Gainsbourgs zuster, die nog steeds het ouderlijke appartement bewoont waar Gainsbourg nog lang zijn eigen woon – en werkplaats had. Daarnaast reconstrueert Hecke als geen ander Gainsbourgs doortochten in Brussel en Luik. Die ‘Belgische’ hoofdstukken in Serges leven –inclusief het bewogen relaas van een zoveelste hartcomplicatie in het Brusselse luxehotel Amigo – heb ik nog nergens anders in de Gainsbourgliteratuur zo gedetailleerd beschreven gezien. Pluim op Heckes hoed, zonder meer.

Sylvia Kristel of all people

Door de vele fragmenten uit interviews met Gainsbourgs tijdgenoten komt le beau Serge in al zijn (klein)menselijkheid sterker uit de verf dan in sommige andere biografieën. Zelfs Verlants magnum opus neigde op sommige plaatsen al te veel naar monumentenzorg. De humor ontbrak, terwijl er in Gainsbourgs leven toch genoeg beroesde lol te vinden is. Niet bij Hecke: hij weet Serges fratsen sappig na te vertellen. In dit boek wordt van Gainsbourg geen heilige gemaakt, de slemppartij die het laatste decennium van zijn leven was, wordt door ooggetuigen van misplaatste glamour ontdaan. Maar Hecke heeft ook wat smeuïgs in petto voor de lezer. Zo kan hij onthullen dat Gainsbourg en Sylvia Kristel – nota bene in volle Birkin-tijdperk- een kinky liaison zouden hebben gehad. Kijk, dàt wisten we nog niet. Wil de legende niet dat Birkin en Gainsbourg in die jaren alleen maar oog hadden voor elkaar?

Zo kan hij onthullen dat Gainsbourg en Sylvia Kristel – nota bene in volle Birkin-tijdperk- een kinky liaison zouden hebben gehad.

Dit nieuwtje legt echter ook een zwakke plek van het boek bloot. De onthulling over de relatie tussen Kristel en Gainsbourg is blijkens het boek gebaseerd op enkele bedekte toespelingen die Kristel maakte in een radio-uitzending, en wordt verder aangevuld met de getuigenis van een zekere Saint-Marteau, die een intimus van Kristel zou zijn geweest tijdens haar laatste jaren. Kristel zou hem de details van de seksrelatie met Gainsbourg uit de doeken hebben gedaan. Aan geen van beide protagonisten kunnen we vandaag nog vragen hoe de vork in de steel zit. Reden te meer om dergelijke verhalen met een korrel zout te nemen. Het lijkt er echter sterk op dat in dit boek, allecht ter wille van de leesbaarheid, dergelijke technische details die eigen zijn aan de journalistieke check en dubbelcheck, niet expliciet zijn vermeld.

Mij interesseert als fan en als journalist nu net de vraag of er in het Gainsbourg-universum nog mensen van deze affaire op de hoogte waren, of er eventueel nog mensen zijn die het verhaal kunnen bevestigen. Er is overduidelijk heel wat research in dit boek gekropen. Dan mag je dat proces ook duidelijk laten zien. Het komt de geloofwaardigheid alleen maar ten goede.

Ik had dan ook graag wat duidelijker gezien waar Hecke zijn informatie vandaan haalt. Aan de hand van welke bronnen heeft hij de verschillende thuis- en werkadressen teruggevonden? Of verderop: wanneer hij beschrijft hoe Serge ten tijde van zijn eerste hartaanval net zat te schrijven aan ‘Je suis venu te dire que je m’en vais’, waar heeft hij dat feit dan vandaan? Elders vinden we een gedetailleerde – geromantiseerde?- reconstructie van de nacht ten huize Gréco, die Gainsbourg inspireert tot het schrijven van ‘La Javanaise’. Sterk, aangezien Gréco –althans bij mijn weten – altijd erg gereserveerd is geweest over de gebeurtenissen van die avond. Waarop is Heckes reconstructie dan gebaseerd? Als het eigen research is, mag je die pluim expliciet op je hoed steken. En anders volstaat een nederige voetnoot toch om de originele bron te duiden? Een deugdelijk notenapparaat met duidelijke bronvermeldingen ontbreekt echter.

Maar Hecke weet zelf toch ook dat de straffe verhalen niet van de lucht zijn, eenmaal de naam Gainsbourg valt? Zelfs Serges eerste echtgenote, Elisabeth Levitsky, werd ontmaskerd als mythomane. Als het over Gainsbourg gaat, geloof ik niemand meer op zijn woord.

Met iets meer redactionele aandacht was dit een nog straffer boek geworden.

Tegelijkertijd leest Gainsbourgs leven nu eenmaal als een ware schelmenroman, en dat weet Hecke als geen ander over te brengen. Hij weet er de vaart in te houden, het relaas wordt nooit langdradig of saai, en dankzij de thematische opdeling van de hoofdstukken wordt de opsomming van adressen nooit oeverloos. Dan vergeef je de auteur algauw zijn voorliefde voor gezwollen beeldspraak genre ‘Hij klauwde de nagels scherp aan het leven’ of ‘Laat je fantasie ontbranden als een biljet van 500 francs’. Of het feit dat de Eiffeltoren in het verkeerde Parijse arrondissement belandt. Met iets meer redactionele aandacht was dit een nog straffer boek geworden. En hadden enkele stratenplannetjes het boek niet helemaal àf gemaakt?

Verdict? Er zijn in ons taalgebied geen twee auteurs die zo veel over Gainsbourg weten te vertellen als Rudolph Hecke, en dat alleen al maakt dit boek de moeite waard. De concentratie straffe verhalen is ongezien. Voor wie bekend is met Gainsbourgs leven en werk, biedt het boek een verfrissende nieuwe kijk op de etappes in zijn leven. Voor wie Serges werk net ontdekt, is het misschien aan te raden om eerst je licht op te steken in iets rechtlijniger biografieën of documentaires, en daarna jezelf te belonen met een reis langs het ‘Parcours Gainsbourg.’ Een mooier excuus voor een trip naar Parijs zul je dezer dagen niet vinden.

Parcours Gainsbourg
Jaar van uitgave: 2017 Categorie:
Uitgever: EPO Bladzijden: 320