Liever liegen: ‘Stad van goud’

Stad van goud ()
recensie door in

Tijdens het lezen van ‘Stad van goud’, het debuut van Tjeerd Posthuma, wanen lezers zich een eigentijdse Sherlock Holmes of, mooier nog, worden ze mede-auteur van het boek.

Met Stad van goud levert de 25-jarige Tjeerd Posthuma zijn debuutroman af. Al is de jonge auteur niet aan zijn proefstuk toe: Posthuma studeerde Theaterwetenschap, publiceerde in nrc.next en werkt als dramaturg voor Theater Bellevue in Amsterdam. Bovendien schrijft hij sinds zijn zestiende voor Sesamstraat. Vooral dat laatste blijkt het platform bij uitstek te zijn als het op het aftasten van de grens tussen fantasie en werkelijkheid aankomt. Maar in tegenstelling tot het kinderprogramma, is Posthuma’s romandebuut er eentje voor volwassenen. Over volwassen worden. En de pijn die daarmee gepaard gaat. En over de noodzaak van het vertellen van verhalen en de verschillende manieren waarop je die verhalen kan vertellen.

Voor hoofdpersonage Claire gaat het allemaal wel erg snel. Het is 2008 en Claire gaat samen met haar ouders in de Vinex wonen, waar alles nieuw of nog in aanbouw is. Ze voelt zich gevangen, bedenkt verhaaltjes om aan de beklemming te ontsnappen.

Zonder een adempauze in te lassen loodst Posthuma ons door Stad van goud: Claire’s jachtige monologue intérieur kaatst alle kanten op. Ze vertelt over de Vinex-wijk, over haar ouders en haar broertje Orville, en over de problemen die ze over zich heen haalt. Ondertussen wijdt ze eindeloos uit zonder werkelijk iets prijs te geven: ‘Elk ding dat ik zie, elk geluid dat ik hoor, elk woord dat ik zeg is lucht of helium of weet ik veel.’ En hoewel Posthuma moeiteloos zin na zin zó op elkaar stapelt dat het soms op een stream of consciousness gaat lijken, komen we slechts mondjesmaat te weten waarin Claire’s tragiek eigenlijk ligt, en wat er met haar broertje gebeurd is, waarom hij er niet meer is. Een literaire koorddans, en Posthuma houdt er duidelijk de aandacht bij. Hij geeft Claire, hoe paradoxaal het ook klinkt, alle tijd die ze nodig heeft om zich leeg te praten:

Ik moet de hele tijd janken. Eerst vond ik het fijn. Dat het snot in je neus zo loskomt, kun je lekker je neus snuiten. Daar word je high van. Ademhalen als je bent uitgehuild, die eerste zuchten. Rust in je kop alsof alles is opgeruimd en op orde is.

Al bij de aanvang van het boek gaat Claire aan het stuiteren, zet ze er vaart in:

5 juli 2008. Alsof de datum wat uitmaakt. O fijn, nu weet ik welke dag het is, nu kan ik eindelijk beginnen. Gisteren at ik eieren en nu ben ik verkouden. Het was het laatste avondeten voor ik hier kwam. Twee eitjes, zacht gekookt, op een sneetje casinobrood, van de bakker, niet van de Albert Heijn, beetje boter eronder, zout, peper, beetje kerrie erop. Op een bord dat ik meekrijg als ik op kamers ga.Toen werd ik zenuwachtig. Werd ik misselijk, voelde ik de dooiers en het wit in mijn maag zich terugvechten naar boven. Met de eitjes was niks mis, hoor. Ik vertrouw mijn moeder. Met mij is iets mis. Daarom zit ik hier.

Dit ritme wordt de hele roman lang volgehouden en levert niet enkel een bijzonder vlot leesbaar boek op, maar zet Claire’s verhaal ook kracht bij: je krijgt haast geen speld tussen wat ze ons vertelt, en hoewel haar vlotte verteltrant enerzijds onzekerheid en twijfel verraadt, geeft het de lezers anderzijds het idee dat Claire net erg zelfzeker is, dat alles wat zij ons vertelt de waarheid is.

Maar hoe betrouwbaar is Claire eigenlijk? Ze verzint verhaaltjes om aan de realiteit te ontsnappen en wanneer Posthuma zijn hoofdpersonage al op de tweede bladzijde laat opmerken dat er iets mis met haar is (‘Daarom zit ik hier.’) kan je er als lezer van uitgaan dat ze enigszins labiel en misschien niet helemaal te vertrouwen is. Even verderop: ‘Wie het niet gelooft is gewoon jaloers.’ Claire heeft de hulp van anderen nodig om ‘alles gewoon even op een rijtje te zetten’:

Melissa zegt dat ik veel afdwaal. We moeten gewoon even snappen in welke volgorde alles is gegaan, dan kunnen we aan de hand daarvan kijken wat ik hier nou van zou kunnen leren voor de toekomst.

Eens je als lezer aan Claire’s verhaal gaat twijfelen, krijg je de neiging zélf aan het vertellen te gaan. Je wikt en weegt wat het hoofdpersonage de lezer toevertrouwt, je schrapt waar je denkt dat dat nodig is en je gaat het verhaal zoals Posthuma het geschreven heeft zelf opnieuw structureren. Vooral hierin liggen de spanningsboog en de sterkte van de roman. Je gaat zelf aan het puzzelen en je waant jezelf even een eigentijdse Sherlock Holmes of mooier nog: niet enkel lezer maar ook mede-auteur van het boek. Ook dat is een leugen, natuurlijk. Maar wel eentje waar je als lezer graag in wil geloven.

Tjeerd Posthuma bewijst met Stad van goud dat hij de aandacht van de lezer weet vast te houden, zelfs wanneer je beseft dat je voortdurend op het verkeerde spoor wordt gezet. Of dat elk spoor simpelweg ontbreekt. Daar slaagt hij in dankzij zijn heldere, trefzekere schrijfstijl en zijn gevoel voor timing en nuance. Het mooiste aan deze roman is dat het om een debuut gaat. Wat hopelijk betekent dat er in de toekomst nog meer werk van Posthuma zal verschijnen. Op een tweede boek is het voorlopig nog even wachten, maar met Stad van goud heb je alvast een van de beste publicaties van 2016 in handen.

Stad van goud
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: Thomas Rap Bladzijden: 190 Stad van goud Tjeerd Posthuma