Meer taalkunstenaar dan polemist

Bloedboek ()
recensie door in

Bloedboek, de roman die Dimitri Verhulst schreef na lezing van het Oude Testament uit de Bijbel, overtuigt niet. Verhulst is een meester in het neerzetten van het kleinmenselijke in kleine, menselijke verhalen maar over de samenleving heeft hij bitter weinig interessants te vertellen. Gelukkig doet hij dat in een prachtige stijl.

Bloedboek is, zoals de titel verklaart, een gewelddadig boek. Het is opgedeeld in twee hoofdstukken. Soap (De aartsvaders) behandelt de stamboom van het uitverkoren volk Israel in een bijwijlen huppelende stijl vol alliteratie, eindrijm en ander stilistisch vernuft. Mijn veldtocht brengt de uittocht uit Egypte in de woorden van Mozes, met meer prozaïsche stijlkenmerken, minder sier maar meer diepgang. In beide hoofdstukken vloeit het bloed zonder weerga, het blijft immers een Bijbelse vertelling.

Verhulst heeft de Bijbel willen teruggeven aan de taal. Daarmee maakt hij het meer een werk van taalkunde dan van inhoudelijke diepgang. Het is een verdedigbare keuze maar ze brengt met zich mee dat Verhulst weinig, of misschien zelfs niets, toevoegt aan het brandend actuele religiedebat. Waar Michel Houellebecq in zijn roman Soumission de politieke ambities van de Islam op scherp stelt, valt in Verhulsts Bloedboek zelfs geen begin van discussie te rapen.

In Bloedboek presenteert Verhulst weinig meer dan een literaire hertaling van de Bijbel. Op geen enkele manier doet hij iets met de discussie die op het boek is gebouwd. Over de Bijbel en het geloof dat erop stoelt, leert Verhulst je niets. Het lezerspubliek dat Verhulst trouw is, mag daar eventueel geen graten in zien. Zelf had ik graag meer diepgang in het boek gezien, meer van de persoonlijkheid van Verhulst in verhouding tot dit werk.

De sterkste boeken van Verhulst hangen vast aan uitmuntend uitgewerkte personages.

Hoeveel meer plezier beleefde ik immers aan Le Royaume, de roman waarin de Franse schrijver Emmanuel Carrère zijn katholieke wortels uitpuurt in verhouding tot het Nieuwe Testament. Carrère volgt onder meer de apostel Paulus, de grondlegger van het christendom, en laat zijn onderzoek naar diens handel en wandel overvloeien in een diepgaand zelfonderzoek. Carrère beent bijbelverzen uit tot hij de smaak van vlees en bloed op het papier heeft. Le Royaume is een monnikenwerk waarbij Bloedboek verschraalt tot een vlugschrift.

De sterkste boeken uit het œuvre van Verhulst hangen vast aan uitmuntend uitgewerkte personages: de nonkels uit De helaasheid der dingen, mevrouw Verona uit het gelijknamige Mevrouw Verona daalt de heuvel af, de tragikomische Désiré Cordier uit De laatkomer; ze blijven met hun kleine menselijkheid en vooral hun kleinmenselijkheid nog lang na het lezen onder je huid zitten. Verhulst is op zijn best als hij de psyche van gewone mensen in verhaalvorm giet.

Daarnaast is Godverdomse dagen op een godverdomse bol de meest uitgesproken en uitgewerkte visie van Verhulst op de mens. Nergens komt zijn misantropie duidelijker tot uiting: ‘t vreet, ‘t neukt, ‘t rolt in z’n eigen vuiligheid, ‘t slaat elkaar de kop in om niks. Verhulst schrijft de mens op grandioze wijze de grond in. Bloedboek had een stap kunnen zijn in Verhulsts mens- en maatschappijvisie, maar is daarvoor inhoudelijk te weinig diepgaand. Verhulst is een taalkunstenaar, geen vlijmscherp polemist.

Valt er dan werkelijk niets te rapen in Bloedboek? Dat oordeel is te streng. Vooral in de worsteling van Mozes met God, “de machinist van het volk,”  slaagt Verhulst enige diepgang in het verhaal te krijgen. “God was met mij een vuil spelletje aan het spelen,”  zo laat hij Mozes opmerken. Sterker wordt God het “genie der genocide.” Het is weinig schrijvers gegeven om de Oudtestamentische God in een pennentrek zo kundig het moderne strafrecht in te trekken.

Verhulst laat de meest treffelijke inzichten uit Bloedboek over aan het personage Mozes. Zo komt hij tot de vaststelling: “Geboren leiders zijn vaak heel gevaarlijk ; gedwongen leiders onkundig.” Na het debacle met het gouden kalf stelt Mozes ook vast: “Ik vond het op zijn minst wonderbaarlijk te zien hoe dicht scheppingsdrang en vernietigingsdrang bij elkaar lagen, die twee konden niet zonder elkaar.”

De kern van Bloedboek ligt precies daar vervat, in de strijd die Mozes op twee vlakken te voeren heeft, als tussenpersoon tussen God en het volk. Over de relatie tussen die twee komt hij tot een mooie slotsom: “God vroeg niet te worden liefgehad. Wat Hij vroeg was te worden gevreesd. De schoonste gebedsdienst die Hij zich droomde: een koor van knikkende knieën, een koraal van tandengeklepper.”

De vraag blijft dan of Verhulst geslaagd is in zijn opzet om de Bijbel terug te geven aan de taal. Enkele trouvailles van Verhulst doen wel heel onnozel aan. Ruben, die met een bijvrouw van zijn vader Jakob sliep, krijgt de bijnaam “stepmodderfokker” mee. Abraham is een “lucky bastard” met zijn “stoot” van een vrouw, hoewel zij op latere leeftijd een “verlept wijf” wordt. Het scheelt maar een onsje of Verhulst draagt toogpraat aan van het genre: wie het wijf trouwt om het lijf, verliest het lijf maar behoudt het wijf.

De spitsvondigheid van Verhulsts taalgebruik blijft overeind wanneer hij een profeet omschrijft als “het sociaal secretariaat van de Oppermachtigste” of de inspiratie van de kunstenaar vat in twee mooie zinnen: “Waar zijn de liedjes voor ze zijn geschreven? Zweven zij van hoofd naar hoofd tot ze eindelijk door een melomaan uit hun vlucht worden gehaald?” Anderzijds legt hij Mozes in de mond: “Hey, kerels, zijn jullie nu helemaal bekotebikkerd ?” en komt hij voor Jahweh, Ik ben die ben in de theogische literatuur, op de proppen met “Isenwasenzal. Isen, voor de vrienden.”

Ook stilistisch sputtert de motor doorheen het verhaal.

Voor elk prachtig Verhulstiaans woord, van “krawietelrijk” over  “plamodderen”, van “pampierderij” tot “paddenmoedernaakt”; staat een lelijkheid als “blingbling”, “multitaskende vrouw”, een “uppercut” voor de farao of “magical Mozes” die op “functioneringsgesprek” gaat bij God. Bloedboek is met andere woorden ook stilistisch een wisselvallig boek, waarbij het toch even zoeken is naar de echte parels.

Verhulst is, en blijft, een meester in het neerzetten van kleine, menselijke personages in de prachtige stijl die hem eigen is. Bloedboek echter is een roman die zich door de opzet moeilijk leent tot het uitwerken van deze personages en ook stilistisch sputtert de motor doorheen het verhaal. Wie een interessant boek wil lezen over religie, wendt zich tot andere schrijvers of – waarom niet ? – tot de Bijbel zelf. Wie een goede Verhulst wil lezen, neemt beter Godverdomse dagen op een godverdomse bol opnieuw van het schap.

Bloedboek
Jaar van uitgave: 2015 Categorie:
Uitgever: Atlas Contact Bladzijden: 240