Papieren tijgers bijten niet

De grote vlucht inwaarts. Essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld. ()
recensie door in

De grote vlucht inwaarts is een ‘pleidooi voor tegendraads denken.’ Want dat zijn we, volgens criticus-annex-cultuurfilosoof Thijs Lijster, aan het verleren. Om over tegendraads handelen nog maar te zwijgen.  

Hoewel de druk op ons unieke sneeuwvlokjes genadeloos toeneemt – alles moet out of the box, lege agenda’s zijn gênant, … – heeft niemand een excuus om niet mee te kunnen. Want voor elk probleem bestaat er wel een zelfhulpboek, mindfulnessoefening of pilletje. Hierdoor richten we onze blik, te midden een steeds minder overzichtelijke wereld, steeds eenzijdiger op onszelf. Maar terwijl we druk bezig zijn met het verbeteren van onszelf, vergeten we het verbeteren van de wereld.

Want voor elk probleem bestaat wel een zelfhulpboek, mindfulnessoefening of pilletje.

Dit terwijl jij nog best meevalt – en het vooral de wereld is, die aan verbetering toe is. De economische, humanitaire en ecologische crises waarin we met z’n allen verdrinken, zullen immers niet zomaar verdampen. Het “laat-burgerlijk individu” moet dringend opnieuw “naar buiten en naar voren” leren kijken. Hiervoor presenteert Lijster onze kortzichtigheid verschillende “vogelperspectie[ven …] op de sociale totaliteit”. Wie weet slagen we er daarmee wel in onze zelfopgelegde “desoriëntatie en verstarring” te overstijgen.

In werkelijkheid is De grote vlucht inwaarts een vlot geschreven who’s who van de linkse cultuur- en sociale filosofie. Lijster kenschetst enkele van haar courantste thema’s en veel van haar prominentste figuren. Aldus vertelt hij in tien bonte hoofdstukken steeds hetzelfde: alles hangt samen en samen krijgen we de rampzalige gang van zaken misschien gekeerd. Van onze fetisj voor het alles verklarende brein, over de manier waarop we ons door statistieken laten wegcijferen, tot de opkomst en het verval van de klassieke detectiveroman – de laat-kapitalistische logica voorziet Lijster van voldoende contradicties om zijn punt te blijven maken.

De grote vlucht inwaarts mist een sociaal-ontologische gevoeligheid.

Mensen als Marx, Walter Benjamin en Foucault gelden daarbij als ‘afzetpunten’ voor originele gedachten. Met die laatste springt Lijster spaarzaam om – wat geen slechte zaak is. Want natuurlijk hangt alles samen en is alles één. Maar dit betekent niet dat de betekenis van alles, zoals Lijster soms insinueert, in alles te lezen is. “Zou het slechts toeval zijn”, vraagt hij zich af over de verschrompelende scheiding tussen werk en privé, “dat het meest gedragen schoeisel tegenwoordig toch de sneaker is, alsof we altijd klaarstaan om ergens naartoe te rennen?” Elders klinkt het dat de ‘symbolische waarde’ van producten hun gebruiks- en ruilwaarde vandaag “overschaduwt” – een uitspraak waarvoor een Baudrillard boeken aan genuanceerde argumentatie aanvoert, maar die Lijster zomaar postuleert. Op zijn slechtst mist De grote vlucht inwaarts een sociaal-ontologische gevoeligheid. Dit zet Marx’ grootste theoretische verworvenheid op de helling: enkel door de hegeliaanse dialectiek rigoureus in de concrete wereld te gronden, geraken we wegwijs in de complexe totaliteit. Enkel zo kunnen we doorslaggevende van grotendeels geïnduceerde ontwikkelingen onderscheiden – en begrijpen hoe alles één is. Maar Lijster lijdt aan de žižekiaanse ziekte: hij vergeet zijn vogelperspectieven wel eens te gronden.

Zijn vogelperspectieven openen misschien wel ogen, maar missen angels.

Het pijnlijke is dat Lijster dit lijkt te beseffen. Terwijl hij terecht oproept tot een nietsontziende kritiek die die Sache an der Wurzel fasst, weigert hij zijn eigen handen vuil te maken, zelf in de grond te wroeten. Nooit breekt hij consequent met zijn burgerlijke braafheid. Zijn vogelperspectieven openen misschien wel ogen, maar missen angels. Als hij al met de vinger wijst, is het in de genoegzame richting van ‘het neoliberalisme’. Enkel Thatcher en Rutte worden bij naam genoemd. Maar voor Thatcher zijn we te laat en lopend op enkel Ruttes bloed, zal de motor van de revolutie niet lang draaien.

Lijsters kritiek werkt homeopathisch.

Om ieders favoriete Sloveen te parafraseren: Lijsters kritiek werkt homeopathisch. Zij klinkt wel heilzaam en fel, maar is, als puntje bij paaltje komt, niet werkzamer dan een ander placebo. Is dit de prijs die je in het Nederlandse taalgebied moet betalen als je de Badious en Boltanski’s wil populariseren? Misschien wel – maar moest onze kritiek dan niet nietsontziend zijn? Of zijn de perpetuele, meervoudige crises die ons bedreigen, dan toch niet zo bedreigend?

 De ‘afzetpunten’ van Lijster zijn het er nochtans over eens: tegendraads denken is goed, maar tegendraads handelen is beter. Maar wanneer je De grote vlucht inwaarts als wapen tegen het status quo opneemt, vlieg je te dicht bij de zon. Wat er overblijft nadat je neerstort? Een intellectualistische egotrip. Waar op zich niets mis mee is, maar die ook geen zoden aan de dijk zet.

Begrijp me niet verkeerd: Lijster verdient bergen meer lof dan de R. Bregmans en A. de Bottons dezer wereld. Maar net daarom moeten we streng zijn – uit respect voor zijn onderneming. En uit respect voor zijn grootste inspiratie, Walter Benjamin. Dezelfde Walter Benjamin die de criticus leert: “Wer nicht Partei ergreifen kann, der hat zu schweigen.”

De grote vlucht inwaarts. Essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld.
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: De Bezige Bij Bladzijden: 319 De grote vlucht inwaarts Thijs Lijster