Rijmt dichter op testosteron?

Dit is geen slaapkamer meer nu ()
recensie door in

“Het enige doel van een dichter is om goed te worden/begrepen.” Christophe Vekeman laat er in zijn meest recente dichtbundel geen twijfel over bestaan: hij wil begrepen worden. En daar slaagt hij in, want deze bundeling is zeker niet complex. Helaas nodigen de meeste gedichten niet uit tot een herlezing.

In 2009 verscheen er bij De Arbeidspers al een vergelijkbare verzamelaar: Senorita’s, volgens de uitgeverij “een boek voor iedereen die Vekeman ooit al live aan het werk zag, en voor allen die dat na lezing van deze bundel ongetwijfeld zullen willen doen.”

Ook deze nieuwe bundeling lijkt in deze optiek te passen. Het is echter zeer de vraag of deze gedichten niet beter op het podium waren gebleven.

Dit is geen slaapkamer meer nu telt 32 gedichten met een erg verhalend en vertellend karakter. Wat meteen opvalt, is het strakke rijmschema. Gepaarde en gekruiste eindrijmen kennen voor Vekeman geen geheimen meer: hij rijmt en rijmelt al z’n regels netjes aan elkaar. Daarbij is hij helaas niet altijd vakkundig of overtuigend. Een voorbeeldje uit het gedicht Stadswandeling:

Wel, ik bracht haar naar de Kouter, want daar stond haar

auto geparkeerd

Ik hoefde geen lift naar huis, bedankt, nee, ik stal wel een

fiets

Kortom, jongens en meisjes, wat hebben wij heden

bijgeleerd?

Dat Gent een grote stad is, en fantasie beter dan niets.

Rijmen op testosteron

Wat nog in het oog springt in deze bundel, is de platte beeldspraak die vaak lijkt voort te komen uit een teveel aan testosteron.

Wat denkt u bijvoorbeeld van deze regels:

Maar elke nacht weer kruip ik kreupel door de loopgraaf

naar mijn huis

Om daar mijn krachten te vergaren in de krochten van je

kruis.

En zo zijn er veel op seks geïnspireerde beelden en nogal expliciete verwijzingen naar de geslachtsdaad. De regel “Na de coïtus is elk dier enigszins gedeprimeerd” is erg toepasselijk op het gevoel dat de lezer bekruipt na het doornemen van deze bundeling.

Het gedicht Hoge hoed is typisch Vekeman: nogal flauw-romantisch (die achtste regel!), in een duidelijk rijmschema, zonder originele beeldspraak en – althans wat de vierde regel betreft – geschreven vanuit een testosteronroes. Of is het beeld gewoon de exponent van een volgehouden rijmdwang?

Hoge hoed

Ik ben zolang jij leeft en ik zal nooit verdwenen zijn
De wereld is een hoge hoed en ik, ik ben een wit konijn
Mijn dagelijkse brood, dat zijn de vlammen uit jouw mond
Mijn dagelijkse nood? Het zijn de hammen van je kont


Er was eens een gedicht van weet ik veel, ik meen Verlaine
Of nee, het was Rimbaud, of Baudelaire, of nee, enfin
Waarover het hier gaat en wat ik enkel zeggen wou
Ik las het niet, ik was niet gek, het ging niet over jou


Ik laaf mij aan je dorst en ook al doen mijn benen pijn
Ik zal je achternalopen tot wij verenigd zijn
In de heuvels van jouw hitte, in het vuur van mijn woestijn
In de rust van stille waanzin, in de roes van rode wijn
Op de rotsen van je kusten, aan het einde van de lijn
Ik ben zolang jij leeft, wij zullen nooit verdwenen zijn

Dit is geen dichtbundel meer nu?

Hoe meer gedichten van deze bundel je leest, des te meer je je afvraagt of je hier nog wel met een dichtbundel te maken hebt. Dit is eerder een weinig samenhangende verzameling teksten, een afwisseling van romantische parlandogedichten, grappig-absurde vertelsteltjes (Jezus, Willie, Richard en ik of Meanwhile, in Bisbee) en korte overpeinzingen die opvallen door hun banaliteit (“De laatste van mijn zorgen is/Toch altijd nog een enorm probleem”).

Waarschijnlijk zijn de banaliteit en de oppervlakkigheid nog de meest tegen de borst stuitende karaktertrekken van deze gedichten. Zo eindigt het gedicht Broeikasblues met de verschrikkelijke dooddoener “Het leven kan eentonig zijn.” Een trieste afsluiter van een gedicht dat voor de rest goed gemaakt is en een mooi beeld bevat van de blues: “De blues is als een huis van glas/Achter de groene ramen kronkelt vreemdsoortig gewas.”

Is er nog hoop?

Het zou dus niet correct zijn om geen potentieel te zien in het dichterschap van Vekeman. In enkele gedichten zijn kiemen terug te vinden van waaruit een “gedrukt” dichterschap zou kunnen ontspruiten. Hier gaat het om meer ingetogen gedichten, zoals het afsluitende Dankgedicht; hierin lezen we de knappe regels “In het morsige licht van de levende nacht (…)/Hoeft het lichaam niet langer te liegen.”

In deze gedichten houdt de dichter zichzelf een romantisch-weemoedige spiegel voor. Deze persoonlijke verzen komen veel authentieker over en zouden hun plaats kunnen vinden in een coherentere bundel van hogere kwaliteit.

Afsluitend en als bewijs hiervan het niet onaardige en grimlachende gedicht Wens:

Wens

Het doet mij zelf ook verdriet:
Ik ben lelijk als ik lach
En mijn jubelzang klinkt als gejank
Groot geluk, het staat me niet
Dus breekt de dag aan, straks, de dag
Dat alle dagen op zijn, en het leven mij bedankt
Laat mijn laatste woorden zijn dan
Voordat ik begraven word:
“Het was mooi zolang het duurde
Maar het duurde niet te kort”

Dit is geen slaapkamer meer nu
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: De Arbeiderspers Bladzijden: 64 Dit is geen slaapkamer meer nu Christophe Vekeman Recensie