Struikelen over de clichés

De Laatste Man ()
recensie door in

Hoeveel clichés kan en mag een eerste hoofdstuk van een boek bevatten? Volgens Koen Van Wichelen oneindig veel.

In Vlaanderen doet de naam Koen Van Wichelen misschien bij sommigen een belletje rinkelen. Na een leven in de journalistiek als redactiecoördinator bij Dag Allemaal en adjunct-hoofdredacteur van Humo en oprichter van onder meer een Vlaams boekenmagazine, besloot Van Wichelen zelf boeken te schrijven. In 2013 debuteerde hij met Krokodillentranen, een jaar later verscheen De Barmhartigen.

Over die laatste roman schreven recensenten dat het ‘zeer vlot’ leest maar dat de auteur nog ‘een herkenbaar eigen stem’ moet vinden –een mild en hoopvol oordeel.

Sinds enkele weken ligt De Laatste Man op de schappen, zijn laatste werk, moedig in eigen beheer uitgegeven. Heeft Van Wichelen, die woont en werkt in Vilvoorde, twee jaar later eindelijk die eigen stem gevonden?

Valt te betwijfelen. Tenzij onder eigenheid en literaire identiteit ook het oeverloos debiteren van clichés valt. Dan wel, dan schrijft en spreekt Van Wichelen met brio en panache.

Ik geraakte niet voorbij het eerste hoofdstuk, een goede veertig bladzijden

De Laatste Man gaat over twee oude knarren, een politicus en een zakenman, die elk in hun branche de top bereikten, die een geschiedenis samen delen, en die, op leeftijd gekomen, afscheid van elkaar moeten nemen, niet zonder eerst het verleden op te rakelen. Kan om meerdere redenen interessant zijn, die verstrengeling van politiek en het bedrijfsleven en het persoonlijke als thema – maar toegegeven, mij kon het weinig bekoren. Ik raakte niet eens voorbij het eerste hoofdstuk, een goede veertig bladzijden.

De stijl Van Wichelen is namelijk een tsunami aan overdrijvingen, puberale pathetiek, stereotyperingen en flauwe, futloze humor. Alsof iemand Dag Allemaal in boekvorm leest. Het begint al met de karakterisering van de zakenman in de allereerste alinea: zijn oude benen ‘pruttelden’, zijn longen ‘piepten’ –standaarduitdrukkingen bij kapotte lichaamsdelen. De ceo, sowieso een ondier, toont blijkbaar ook niet ‘de minste compassie met zieke medemensen’; in zijn ogen zijn het ‘lamzakken van het zuiverste water’ en ‘hij haatte ze. Hij haatte hun gejank, gezucht en gesteun vol medelijden’.

Ook de bijnaam die Van Wichelen voor zijn politiek personage verzint lijkt weinig verrassend, namelijk ‘de Bulldozer’, die hij even later omschrijft als een ‘bazige brulaap’ –doet meteen denken aan die andere brulboei, Louis Tobback. Dus tegenstanders imponeert hij niet zomaar, neen, hij ‘buldert die gewoon omver. Zijn scheldkanonnades zaaiden dood en vernieling en produceerden meer decibels dan een eskadron laag overscherende straaljagers’ –en dan is een lezer nog maar drie bladzijden ver.

De zieke politicus is ook niet zomaar ziek maar hoest natuurlijk bloed op, de vertrouwenskloof tussen de twee personages blijkt natuurlijk ‘dieper dan de Grand Canyon’, en hun verstandhouding valt natuurlijk als volgt samen te vatten: ‘ik spek jouw rekening en jij spekt de mijne’ –hoe anders?

Ogen in het universum van Van Wichelen kijken niet maar ‘schieten vuur’, een kale kop wordt steevast omschreven als ‘kale knikker’ en een volk gedraagt zich consequent als een ‘meute’ – vermoeiend allemaal.

Een Poolse voetballer die hij plots doet opdraven moet onvermijdelijk iets met alcohol doen –dus die Pool wringt ‘nog gretiger open doelkansen de nek om dan dat hij glazen bier soldaat maakt’. Afrikanen? Wedden dat een beestachtige beschrijving komt, grenzend aan het gratuite racisme? Yup: ‘Die zwarte apen slachtten elkaar af als beesten’, klinkt het ergens uit de mond van een opgetrommelde, getraumatiseerde ex-paracommando met een wonde in het been.

Daarnaast volgen in sneltempo nog platte homo-humor (‘serieus voor paal staan’), armzalige aankondigingen (‘Het gebeurde tijdens een routineklus’), en bizarre perspectiefwisselingen waar plots, zonder aankondiging, de lezer wordt aangesproken.

Literatuur bedrijft Van Wichelen niet, al gaat het in zijn genre wellicht om een goed boek

Literatuur bedrijft Van Wichelen hoegenaamd niet, al gaat het in zijn genre (de voortrazende, testosterongedreven pageturner) allicht om een goed boek, geheel conform de stilistische eisen. En toch bekruipt me telkens een wee gevoel van onbehagen, als ik een dergelijk boek in handen krijg. Werd het zo geschreven omdat de auteur niet beter weet, niet beter kan, niet beter wil? Is dit voor Van Wichelen het summum? En als hij het toch doelbewust zo aanpakt, vanuit welke optiek dan, en waarom? En waarom geen moeite doen om minstens te spelen met de clichés? Zou hij nu werkelijk zelf tevreden zijn met dit resultaat?

De Laatste Man
Jaar van uitgave: 2016 Categorie:
Uitgever: Boeken Magazine Uitgevers Bladzijden: 344