Verdwijnende woorden, schimmige werkelijkheid

Pistoolvinger ()
recensie door in

Als meesterverteller Henk Blanken de schoonheid van het verval optekent, krijg je een meeslepend boek, diepmenselijk en autobiografisch, vol schaamte en aanvaarding. Tot het je begint te dagen dat de auteur wel erg gedetailleerd beschrijft hoe zijn geheugen hem steeds vaker in de steek laat.

Een rasecht verteller weet wanneer een goed verhaal zich voor zijn ogen afspeelt, nog voor het zich helemaal ontwikkeld heeft. Hij is er zich ten zeerste van bewust dat als hij de details die zich op dat moment rond hem ontvouwen niet nauwgezet noteert of memoriseert, de voortschrijdende tijd ze zonder pardon zal doen vervagen.

Dit is precies wat de Nederlander Henk Blanken, journalist voor de Volkskrant en Dagblad van het Noorden, overkomt op een zonnige junidag in 2011. Dan krijgt hij te horen aan de ziekte van Parkinson te lijden, een progressieve aandoening die belangrijke kwabjes in de middenhersenen sneller dan gemiddeld doet degenereren.

De potsierlijke werkelijkheid is dat ik al tijdens het gesprek met de twee artsen de scène aan het schrijven ben. Ik moet dit onthouden. Geuren, kleuren, dialoog, handeling, climax. Deze steriele pijpenla. Het halve licht. Dat het vandaag de langste dag van het jaar is.

Wat zich nadien ontvouwt in Pistoolvinger is de haarscherpe weergave van een man in verval. Van een moedig man ook, die ongegeneerd afrekent met zijn eigen lichaam. In zijn zoektocht naar persoonlijke verhalen put hij uit een schat aan herinneringen en reconstrueert levendige taferelen op basis van losse notities, neergekrabbeld op treinkaartjes of servetjes.

Eigenaardig wordt het als Blanken de lezer er steeds vaker op wijst hoe vergeetachtig hij kan zijn

Buitengewoon gedetailleerd maakt hij ons zo deelgenoot van zijn eigen aanvaardingsproces. De opbouw van elke scène en van elk hoofdstuk getuigt van een trefzeker meesterschap – als coauteur van het meer dan voortreffelijke Handboek verhalende journalistiek kent hij immers de kneepjes van het vak.

Eigenaardig wordt het als Blanken de lezer er steeds vaker op wijst hoe vergeetachtig hij kan zijn. Wat hij al langer als een mankement ervaart, wordt erger naarmate zijn ziekte heviger de kop opsteekt. Het is daarom niet helemaal duidelijk hoe hij met slechts een handvol trefwoorden over een gebeurtenis enkele pagina’s kan uitweiden.

Op een systeemkaartje krabbel ik een aantekening. Ik noteer datum en plaats en enkele steekwoorden. ‘Treinkijker, drukverband. Kan een kat schmieren?’

In bovenstaand geval krijgt hij nog het voordeel van de twijfel, aangezien het over een ontmoeting gaat die heeft plaatsgevonden na zijn diagnose. Alles wat hij sindsdien beleeft, beschrijft hij immers in functie van het verhaal. Journalistieke reportages en interessante ontmoetingen en wetenswaardigheden staan er zo naast zijn eigen ervaringen.

In het boek verweeft hij niettemin ook lang vervlogen herinneringen aan zijn kindertijd en zijn ouders, aan zijn studententijd en zijn jeugdvriend Axel. Alle zintuigen komen aan bod in deze verhaallijnen en zijsprongen.

Pistoolvinger wordt er alleen maar beter door en krijgt zo definitief de allure van een autobiografie. Als lezer maak je kennis met de Henk Blanken die nu rondloopt. Desondanks maakt hij het de lezer niet gemakkelijk.

Mijn geheugen is brak, een wad met af en toe een zandplaat. Precies zo helder, gedetailleerd en compleet waren Axels herinneringen.

De paradox in bovenstaand citaat veroorzaakt vertwijfeling. Kan je er nog zeker van zijn dat de auteur de waarheid spreekt, dat de herinneringen echt compleet zijn? Hoe geloofwaardig schrijft een meesterverteller nog als het over zijn eigen leven gaat? Blanken beantwoordt de vraag zelf.

‘Ik weet eigenlijk niet zeker of het een echte herinnering is,’ zei ik.
Ze dacht van niet. Sandra was al vertrouwd met mijn brakke geheugen. Ze wist dat ik er een handje van had herinneringen te construeren waarin ik op den duur – zodra ik ze had opgeschreven – zelf ging geloven.

Het debat over hoe waarheidsgetrouw een non-fictieschrijver de details van een handeling, de opstelling van het decor en de sequentie van de gebeurtenissen moet neerschrijven, is niet nieuw. David Van Reybrouck vindt het bijvoorbeeld al opmerkelijk dat collega-schrijver Frank Westerman een gesprek laat doorgaan op een locatie die belangrijk is voor het verhaal, in plaats van in de wagen waar het echt heeft plaatsgevonden.

Bijzonder aan Pistoolvinger is dat Blanken zelf aangeeft soms, misschien, een loopje te nemen met de waarheid. Waar dat precies het geval is, en in welke mate de scènes afwijken van de werkelijkheid, valt niet te achterhalen. Uiteindelijk doet het er niet toe. Blanken heeft zo een manier gevonden om ons te laten voelen wat het is om parkinsonpatiënt te zijn, namelijk dat zijn lichamelijke en geestelijke vermogens van vandaag de hoogst haalbare zijn van morgen.

Reactie van de auteur

Al zowat mijn halve leven schrijf ik over feit en fictie, schijn en werkelijkheid, echt en vals – en niet in de laatste plaats over Wahrheit & Dichtung in mijn vak, de journalistiek. Ooit tekende ik uit de mond van Martin van Amerongen, volgens mij de best schrijvende Nederlandse journalist van de twintigste eeuw, op dat een snufje verdichting wel geoorloofd was, maar wanneer wordt dat snufje een overdosis? Toen internet de journalistiek begon te pijnigen, beweerde ik in boeken als Mediamores dat de journalistiek de opmars van de digitale cultuur niet mocht negeren, op straffe van vergetelheid, ook niet als die cultuur een andere, noem het neo-postmoderne kijk op feit en fictie met zich meebracht. Leer er maar mee leven, collega’s, en hou je ondertussen aan de feiten, want als je meegaat in het anything goes van de Google-generatie is het eind zoek en de journalistiek ten dode opgeschreven.

Afgezien van de wat omineuze kop is de bespreking van Len Buggenhout nogal complimenteus, dank daarvoor, maar het laat zich raden dat ik vooral blij dat het stuk zich toespitst op de vraag wat in Pistoolvinger feit is, en wat fictie. Wat is waar, wat heeft de schrijver verzonnen. En mag dat wel in een non-fictieboek? Mag dat in de journalistiek? Nee, natuurlijk niet, zei ik hier boven al, maar in een autobiografische non-fictieroman moet het. Althans een beetje. Althans in dat boek van mij.

Het verschil tussen echt en onecht is een belangrijke verhaallijn in mijn boek. Ik ben – in werkelijkheid niet minder dan het personage in Pistoolvinger – nogal bezig met mijn slechte geheugen, uiteraard omdat ik bang ben dat het iets ergers aankondigt, de dementie waarvan ik me, net als mijn hoofdpersoon, afvraag of ‘we’ die wel willen meemaken. Maar ook omdat ik in Pistoolvinger nadenk over dat onuitstaanbare verdwijnen van alles – wat nogal logisch is als je zelf langzaam verdwijnt. En vergeten, zeg ik ergens, is een onhebbelijkheid waarmee het leven ons waarschuwt voor dat verdwijnen.

Het geheugen speelt in het boek voortdurend een rol. Het definieert mijn vriendschap met Axel. Het bepaalt de plot van de roman waaraan ik aanvankelijk in het Franse klooster zou werken, ‘de roman die nooit afkomt’ (hij had als werktitel De aap van god, tot ik ontdekte dat de Vlaamse schrijver Patrick Conrad mij voor was). Het is uiteraard geen toeval dat ik in dat boek over kunstvervalsers wilde schrijven, en dat het verhaal met mij aan de haal gaat.

Pistoolvinger is ‘literaire non-fictie’ – dat is een niet bestaand genre van de literatuur, in de boekhandel zul je de kast met dat etiket niet aantreffen. Ik spreek liever over een non-fictie roman, om te benadrukken dat het boek ‘leest als een roman’. En ook wel een beetje omdat vragen over het waarheidsgehalte zo moeilijk te beantwoorden zijn. Hoe echt is mijn boek? Hoe echt kan het zijn als ik mijzelf portretteer als een man die aan het fabuleren slaat?

Pistoolvinger gaat natuurlijk louter over mijn waarheid, want het zijn mijn herinneringen, en het is mijn vergeten. Dat ik sommige scenes uit mijn jeugd zo gedetailleerd kan terughalen, is minder vreemd dan het lijkt. Het is ook alles wat ik mij herinner, terwijl ik er – voor het boek – langdurig over heb gesproken met mijn zussen en met Peter – de derde vriend. Dit is wat ik nog weet, dit is hoe ik het vaker heb opgeschreven, in brieven en dagboeken die ik bewaard heb, in aanzetten voor boeken.

Is Pistoolvinger een journalistiek boek? Ik denk het niet: hele delen zijn het resultaat van journalistiek feiten verzamelen, maar de autobiografische elementen zijn niet-controleerbaar. Is het non-fictie? Meer wel dan niet. Veel meer zelfs. Is het de waarheid? Hooguit de mijne.

Henk Blanken, 10 mei 2016

Pistoolvinger
Jaar van uitgave: 2015 Categorie:
Uitgever: Atlas Contact Bladzijden: 208